Conclusie · Civiel recht
Parket bij de Hoge Raad, 20 maart 2015
ECLI:NL:PHR:2015:319Zaaknummer 15/00003
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 20 maart 2015
- Publicatiedatum
- 1 mei 2015
- Zaaknummer
- 15/00003
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Huurrecht. Recht op gebruik bergruimte? Gevolgen contractsoverneming, art. 6:159 BW. Tegenprestatie, art. 7:201 BW.
Volledige tekst
Rolnr. 15/00003
Mr M.H. Wissink
Zitting van 20 maart 2015
Conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van:
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres tot cassatie,
(hierna: [eiseres])
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in cassatie,
(hierna: [verweerster])
1. Het bij dagvaarding van 15 december 2014 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 16 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4048, WR 2015/33 m.nt. De Waal). [verweerster] vorderde een verklaring voor recht dat zij krachtens huurovereenkomst gerechtigd is tot het gebruik van de bergruimte op de begane grond van het pand. [eiseres] heeft dat weersproken en in reconventie ontruiming van de bergruimte gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering van [verweerster] afgewezen en die van [eiseres] toegewezen. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering van [verweerster] alsnog jegens [eiseres] toe en wees de vordering van [eiseres] alsnog af.
2. [verweerster] huurt al ruim drie decennia een woning op de eerste verdieping in een groot pand in [woonplaats], sinds 1999 van [A] en thans van diens rechtsopvolger [B]. In de loop der jaren is de eigendom, de indeling en het gebruik van het pand als geheel veranderd. Aanvankelijk gebruikte [verweerster] (i) een bergruimte op de zolder, (ii) later een inpandige berging op de begane grond en (iii) nog weer later een zelfstandige bergruimte op de begane grond rechtsvoor. [verweerster] huurde de onder (i) respectievelijk (ii) bedoelde bergruimten van [A] (arrest rov. 3.5 en 3.6).
Na splitsing van het pand in 2002 verkreeg [C] c.s. aanvankelijk de appartementsrechten op de begane grond met uitzondering van het appartementsrecht voor de inpandige berging, dat bij [A] bleef. Bij een wijziging van de splitsingsakte tussen [C] c.s. en [A] in 2005 verkreeg [C] c.s. ook de eigendom van de inpandige berging. [C] c.s. hebben de onder (iii) bedoelde zelfstandige bergruimte op de begane grond rechtsvoor gecreëerd. Het hof heeft in rov. 3.7 en 3.8 geoordeeld dat [verweerster] deze bergruimte is gaan huren van [C] c.s. [eiseres] is met [D] de rechtsopvolger van [C] c.s.
3. De klachten (onder A tot en met E) van het cassatiemiddel rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
4. Onderdeel A komt met een rechtsklacht op tegen rov. 3.7 en 3.8. De klacht komt er in de kern op neer dat het hof de gevolgen van de contractsoverneming (art. 6:159 BW) ter zake van de huur van de bergruimte door [C] c.s. had moeten vaststellen nu van een huurovereenkomst tussen [C] c.s. en [verweerster] geen sprake kan zijn zonder tegenprestatie van [verweerster] in relatie tot [C] c.s. (art. 7:201 BW).
Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het berust op een onjuiste lezing van het arrest.[_f9b79f95-4079-4540-a554-bb48dcb5d310] Het onderdeel veronderstelt dat volgens het hof de overgang van de huur voor de bergruimte op [C] c.s. niet heeft geleid tot aanpassing van de oorspronkelijke huurovereenkomst voor wat betreft de aan [A] verschuldigde huurprijs en niet heeft geleid tot verschuldigdheid van huur aan [C] c.s. en de rechtsopvolgers [eiseres] en [D] voor wat betreft de bergruimte. Uit rov. 3.8 blijkt echter dat het hof oordeelt dat [verweerster] de huurprijs voor de woning en bergruimte thans verschuldigd is aan (de rechtsopvolger van) [A] voor wat betreft de woning en aan (de rechtsopvolger van) [C] c.s. voor wat betreft de berging, zodat aan art. 7:201 BW is voldaan. De verhuurder van de woning op de eerste verdieping en de verhuurder van de berging (thans [eiseres] en [D]) moeten volgens het hof daarom een afspraak maken over de splitsing van de huursom.
Dat [verweerster] de totale huur steeds is blijven betalen aan (de beheerder voor)[_6e0bf7c0-e1c3-4cfc-9227-d239f163c086] de verhuurder van de woning staat er daarom niet aan in de weg dat ook in de relatie tussen [eiseres] als rechtsopvolger van [C] c.s. en [verweerster] sprake is van een huurovereenkomst. In het oordeel van het hof ligt besloten dat [verweerster] in beginsel (de beheerder voor) de verhuurder van de woning mocht beschouwen als betaaladres, ook voor de huursom die verschuldigd was voor de zelfstandige bergruimte op de begane grond rechtsvoor; in deze zin moet de passage in rov. 3.8 worden begrepen waarin het hof overweegt dat [verweerster] “aan [C] c.s. of aan [eiseres] en [D] nooit enig bedrag aan huur heeft betaald”.
5. Onderdeel B berust op dezelfde onjuiste lezing van het arrest als onderdeel A en faalt om de bij 4 aangegeven redenen. Voorts is het hof, anders dan onderdeel B aanvoert, wel ingegaan op de stelling van [eiseres] (in de MvA nr. 17) over het bestaan van een tegenprestatie voor het gebruik van de berging.
6. Onderdeel D klaagt ten onrechte dat het hof is afgeweken van de vordering. Het hof heeft aan de door [verweerster] gevorderde verklaring voor recht de woorden “jegens [eiseres]” toegevoegd, omdat [D] niet was gedagvaard en een verklaring voor recht niet tegen deze kon worden gegeven (zie rov. 3.10). Het hof heeft de vordering van [verweerster] in deze zin mogen opvatten. De afwijking die het onderdeel in het dictum leest, kan daarin mijns inziens niet gelezen worden.
7. Onderdeel C en onderdeel E bevatten klachten die slechts voortbouwen op de onderdelen A en B respectievelijk A tot en met D. Zij falen in het verlengde daarvan.
8. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2015:1196 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2015:1196 Hoge Raad, 1 mei 2015 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.