Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 16 december 2014

ECLI:NL:PHR:2014:2706Zaaknummer 14/03057

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16 december 2014
Publicatiedatum
20 januari 2015
Zaaknummer
14/03057
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

HR: art. 80a RO.

Volledige tekst

Nr. 14/03057

Mr. Vegter

Zitting 16 december 2014

Standpunt/conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2014. Er is tijdig een schriftuur ingekomen.

2. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van doodslag. Anders dan de steller van het middel meent is het uitgangspunt in het bevestigde vonnis van de Rechtbank niet dat de verdediging een reële mogelijkheid heeft aangedragen, maar dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid nader is onderzocht en dat de gedane (technische) onderzoeken het alternatieve scenario niet zonder meer uitsluiten. Dat is veel zuiniger uitgedrukt dan de steller van het middel wil en de kennelijk naar het oordeel van de veroordelende rechter hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid is in een uitvoerige bewijsoverweging ter zijde gesteld. Dat is toereikend en anders dan de steller van het middel meent is niet vereist dat de alternatieve lezing door bewijsmiddelen wordt uitgesloten (Corstens/Borgers, 2014, p. 849 en 856). Voor zover al sprake zou zijn van louter ‘circumstantial evidence’ valt niet in te zien dat en waarom dergelijk bewijs niet toereikend kan zijn.

3. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie nu de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.