Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 7 januari 2014
ECLI:NL:PHR:2014:26Zaaknummer 13/00663
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 7 januari 2014
- Publicatiedatum
- 29 januari 2014
- Zaaknummer
- 13/00663
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd.
Mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, klaagt over de beide bewezenverklaringen. Het bewijs van het opzet zou ontoereikend zijn omdat verdachte telkens kopieën heeft laten maken van zijn rijbewijs, waaruit is af te leiden dat verdachte erop vertrouwde dat de auto's uiteindelijk weer naar de rechthebbenden zouden terugkeren.
Het hof heeft overwogen dat verdachte de auto's telkens heeft meegekregen voor een proefrit maar dat verdachte de auto telkens heeft afgegeven aan [betrokkene], waarna deze spoorloos verdwenen. Volgens verdachte was [betrokkene] van plan de digitale identiteit van de meegekregen auto's over te zetten op andere, reeds in Hertogs bezit zijnde auto's. Verdachte heeft zich volgens het hof willens en wetens aan de aanmerkelijke kans blootgesteld dat [betrokkene] de auto's niet zou terugbrengen. Verdachte heeft gehandeld op het verzoek van [betrokkene] om auto's mee te nemen en verdachte was op de hoogte van de onbetrouwbaarheid en criminele achtergrond van [betrokkene].
Reeds het feit dat verdachte ervan op de hoogte was dat [betrokkene] de digitale identiteit van de auto's zou stelen, is voldoende om aan te nemen dat verdachte als heer en meester heeft beschikt over de auto's en daarmee zich deze auto's heeft toegeëigend.
Het middel heeft evident geen kans van slagen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Volledige tekst
Nr. 13/00663
Mr. Machielse
Zitting 7 januari 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd.
Mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, klaagt over de beide bewezenverklaringen. Het bewijs van het opzet zou ontoereikend zijn omdat verdachte telkens kopieën heeft laten maken van zijn rijbewijs, waaruit is af te leiden dat verdachte erop vertrouwde dat de auto's uiteindelijk weer naar de rechthebbenden zouden terugkeren.
Het hof heeft overwogen dat verdachte de auto's telkens heeft meegekregen voor een proefrit maar dat verdachte de auto telkens heeft afgegeven aan [betrokkene], waarna deze spoorloos verdwenen. Volgens verdachte was [betrokkene] van plan de digitale identiteit van de meegekregen auto's over te zetten op andere, reeds in Hertogs bezit zijnde auto's. Verdachte heeft zich volgens het hof willens en wetens aan de aanmerkelijke kans blootgesteld dat [betrokkene] de auto's niet zou terugbrengen. Verdachte heeft gehandeld op het verzoek van [betrokkene] om auto's mee te nemen en verdachte was op de hoogte van de onbetrouwbaarheid en criminele achtergrond van [betrokkene].
Reeds het feit dat verdachte ervan op de hoogte was dat [betrokkene] de digitale identiteit van de auto's zou stelen, is voldoende om aan te nemen dat verdachte als heer en meester heeft beschikt over de auto's en daarmee zich deze auto's heeft toegeëigend.
Het middel heeft evident geen kans van slagen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2014:183 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2014:183 Hoge Raad, 28 januari 2014 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.