Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 26 maart 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BZ5414Zaaknummer 12/04817 B
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 26 maart 2013
- Publicatiedatum
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 12/04817 B
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Beschikking. De HR verklaart het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk.
Conclusie inzake:
[Klager]
1. Het beroep in cassatie heeft betrekking op een beschikking van het gerechtshof te 's Hertogenbosch d.d. 11 juni 2012.
2. Bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank te Middelburg Is klager veroordeeld wegens medeplegen van handelen in strijd met een in art. 3 onder B en C gegeven verbod. Het hoger beroep is door het Hof bij arrest van 20 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard.
3. In het licht van deze feiten moet het oordeel van het Hof dat het inbeslaggenomene kan dienen tot verhaal van het in de ontnemingszaak eventueel toe te wijzen bedrag aldus worden verstaan dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
4. De aangevoerde klachten rechtvaardigen derhalve geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledige tekst
Nr. 12/04817 B
Mr. Vellinga
Zitting: 29 januari 2013
Conclusie inzake:
[Klager]
1. Het beroep in cassatie heeft betrekking op een beschikking van het gerechtshof te 's Hertogenbosch d.d. 11 juni 2012.
2. Bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank te Middelburg Is klager veroordeeld wegens medeplegen van handelen in strijd met een in art. 3 onder B en C gegeven verbod. Het hoger beroep is door het Hof bij arrest van 20 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard.
3. In het licht van deze feiten moet het oordeel van het Hof dat het inbeslaggenomene kan dienen tot verhaal van het in de ontnemingszaak eventueel toe te wijzen bedrag aldus worden verstaan dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
4. De aangevoerde klachten rechtvaardigen derhalve geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2013:BZ5414 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2013:BZ5414 Hoge Raad, 26 maart 2013 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.