Conclusie · Civiel recht
Parket bij de Hoge Raad, 15 februari 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BY9081Zaaknummer 12/04839
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 15 februari 2013
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12/04839
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Vrijwaring van makelaar door cliënt voor veilingkosten.
Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Volledige tekst
Rolnr. 12/04839
Mr M.H. Wissink
Zitting van 4 januari 2013
Conclusie inzake:
[Eiseres],
te [woonplaats] (Israël),
eiser tot cassatie
tegen
[Verweerder],
te [woonplaats],
verweerder in cassatie
1. Bij dagvaarding van 9 oktober 2012 heeft eiseres tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 juli 2012. De middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
2. Voor zover de middelen steunen op in feitelijke instanties aangevoerde stellingen zonder vermelding van de vindplaats(en) van die stellingen in de stukken van het geding, voldoen zij niet aan de daaraan te stellen eisen (HR 5 november 2010, LJN BN6196).
Middel I keert zich tegen een geenszins onbegrijpelijk oordeel. Blijkens rov. 3.4 van het bestreden arrest (op p. 7, midden) heeft de rechtbank vastgesteld dat [betrokkene 1] "geen leek was op het gebied van onroerende zaken" en blijkens rov. 3.11 werkten [betrokkene 1] en [verweerder] al langer samen. In dit licht en mede gezien de studie bouwkunde van [betrokkene 1] kon het hof tot zijn oordeel komen, waarbij in het midden kan blijven of deze studie na het kandidaatsexamen nog is voortgezet (in de MvG nrs. 2 en 8 wordt overigens door [eiseres] gesteld dat [betrokkene 1] een architectendiploma heeft). Blijkens rov. 3.4van het bestreden arrest (op p. 7, midden) heeft voorts de rechtbank (en niet het hof) een overweging gewijd aan de deskundigheid van [betrokkene 2]. Het middel maakt niet duidelijk dat en, zo ja, in welk verband [eiseres] een beroep heeft gedaan op de bedoelde productie 2.
Middel II mist feitelijke grondslag. Het hof niet heeft vastgesteld dat [betrokkene 3] de informatieplicht ernstig had geschonden of dat [verweerder] door een regeling te treffen met [betrokkene 3] de positie van [eiseres] verzwakte; het middel gaat voorts voorbij aan de in rov. 3.8 vastgestelde grondslag van de verplichting van [eiseres] om [verweerder] te 'vrijwaren'. Ten onrechte veronderstelt het middel, dat de mogelijkheid om verhaal te zoeken op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van [eiseres] redengevend was voor het oordeel in rov. 3.9.
Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2013:BY9081 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2013:BY9081 Hoge Raad, 15 februari 2013 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.