Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 24 mei 2011

ECLI:NL:PHR:2011:BQ0767Zaaknummer 10/01395

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01395
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1,2 en 3, telkens "Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" en 4. "Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/01395 en 10/04121. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het Hof niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn het verkorte arrest met bewijsmiddelen heeft aangevuld.

5. Namens verdachte is op 25 februari 2010 beroep in cassatie ingesteld. De aanvulling met bewijsmiddelen is op 19 augustus 2010 door de oudste raadsheer ondertekend. Dit brengt mee dat de termijn als bedoeld in art. 365a, tweede en derde lid, Sv is overschreden. De wet stelt echter geen sanctie op de niet nakoming van die termijn.(1)

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 24 maart 1998, NJ 1998, 557 en HR 21 september 1999, NJ 1999, 786.

Volledige tekst

Nr. 10/01395

Mr. Vellinga

Zitting: 22 maart 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1,2 en 3, telkens "Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" en 4. "Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/01395 en 10/04121. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het Hof niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn het verkorte arrest met bewijsmiddelen heeft aangevuld.

5. Namens verdachte is op 25 februari 2010 beroep in cassatie ingesteld. De aanvulling met bewijsmiddelen is op 19 augustus 2010 door de oudste raadsheer ondertekend. Dit brengt mee dat de termijn als bedoeld in art. 365a, tweede en derde lid, Sv is overschreden. De wet stelt echter geen sanctie op de niet nakoming van die termijn.(1)

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 24 maart 1998, NJ 1998, 557 en HR 21 september 1999, NJ 1999, 786.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.