Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 5 januari 2010
ECLI:NL:PHR:2010:BK3531Zaaknummer 08/03970
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 5 januari 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/03970
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Overschrijding redelijke termijn in cassatie.
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 10 december 2007 voor 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; 2: de eendaadse samenloop van medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of emstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, en medeplegen van witwassen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.
2. Mr. F.P. Holthuis, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. E.P. Vroegh, eveneens advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is ingesteld op 18 december 2007 en de stukken zijn ter griffie van de Hoge Raad eerst ontvangen op 19 juni 2009.
3.2. Aldus is inderdaad de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met tien maanden en een dag overschreden. Deze schending van art. 6 lid 1 EVRM zal dienen te leiden tot een verlaging van de opgelegde straf.
4. Het middel is gegrond. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voorzover het de straf oplegging betreft en tot verlaging van de opgelegde straf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met nr. 09/02484 ([medeverdachte 2]) waarin ik op 3 november 2009 conclusie heb genomen en met nr. 08/00390 ([medeverdachte 3]), waarin ik ook vandaag concludeer.
Volledige tekst
Nr. 08/03970
Mr. Machielse
Zitting 10 november 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 10 december 2007 voor 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; 2: de eendaadse samenloop van medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of emstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, en medeplegen van witwassen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.
2. Mr. F.P. Holthuis, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. E.P. Vroegh, eveneens advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is ingesteld op 18 december 2007 en de stukken zijn ter griffie van de Hoge Raad eerst ontvangen op 19 juni 2009.
3.2. Aldus is inderdaad de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met tien maanden en een dag overschreden. Deze schending van art. 6 lid 1 EVRM zal dienen te leiden tot een verlaging van de opgelegde straf.
4. Het middel is gegrond. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voorzover het de straf oplegging betreft en tot verlaging van de opgelegde straf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met nr. 09/02484 ([medeverdachte 2]) waarin ik op 3 november 2009 conclusie heb genomen en met nr. 08/00390 ([medeverdachte 3]), waarin ik ook vandaag concludeer.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2010:BK3531 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2010:BK3531 Hoge Raad, 5 januari 2010 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.