Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 30 mei 2006
ECLI:NL:PHR:2006:AW4483Zaaknummer 03457/05 J
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 30 mei 2006
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 03457/05 J
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Cassatieberoep en Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De rb heeft het door klager ingediende bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel ongegrond verklaard. Nu art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden noch enige andere wettelijke bepaling beroep in cassatie openstelt tegen een beschikking als i.c. moet klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.
Conclusie inzake:
[klager]
1. De officier van justitie te Maastricht heeft op 17 juni 2005 overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Wet van 16 september 2004 (Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, Stb. 465) bevolen dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. Aan dat bevel is gevolg gegeven.
Tegen dit bevel en het bepalen en verwerken van het DNA-profiel hebben de wettelijke vertegenwoordigers van veroordeelde een bezwaarschrift ingediend.
Op 6 september 2005 heeft de rechtbank te Maastricht het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
2. Op 21 september 2005 heeft een advocaat tegen deze beslissing cassatie ingesteld. Middelen van cassatie zijn niet ingediend.
3.1. Artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden luidt als volgt:
"1. De veroordeelde kan tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, binnen veertien dagen na de dag waarop zijn celmateriaal is afgenomen onderscheidenlijk de dag waarop de mededeling, bedoeld in artikel 6, derde lid, is betekend, een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen. De zesde afdeling van Titel I van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
2. Het bezwaarschrift is met redenen omkleed.
3. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
4. Zolang tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel een bezwaarschrift kan worden ingediend en zolang een ingediend bezwaarschrift niet is ingetrokken of daarop niet is beslist, wordt op basis van het celmateriaal van de veroordeelde geen DNA-profiel bepaald.
5. Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaart, beveelt zij de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd."
3.2. De laatste volzin van het eerste lid bepaalt dat de Afdeling die handelt over de raadkamer van toepassing is zodat het bezwaarschrift in raadkamer wordt behandeld. Het gaat ook in deze zaak om een beschikking die niet op de terechtzitting is gegeven (artikel 138 Sv). Ingevolge artikel 445 Sv staat tegen beschikkingen hoger beroep of beroep in cassatie niet open en is een bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen die in het wetboek zijn aangegeven.
3.3. De wetgever heeft ten behoeve van de veroordeelde voorzien in de mogelijkheid van een bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, maar heeft tegen de beschikking op dat bezwaarschrift geen rechtsmiddel aangewezen. De slotsom moet dan ook zijn dat ieder rechtsmiddel dat tegen de beschikking op zo een bezwaarschrift wordt ingediend niet ontvankelijk is, ook al zou in cassatie tijdig (zie artikel 447 lid 5 Sv) een cassatieschriftuur worden ingediend.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Volledige tekst
Nr. 03457/05 J
Mr Machielse
Zitting 18 april 2006
Conclusie inzake:
[klager]
1. De officier van justitie te Maastricht heeft op 17 juni 2005 overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Wet van 16 september 2004 (Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, Stb. 465) bevolen dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. Aan dat bevel is gevolg gegeven.
Tegen dit bevel en het bepalen en verwerken van het DNA-profiel hebben de wettelijke vertegenwoordigers van veroordeelde een bezwaarschrift ingediend.
Op 6 september 2005 heeft de rechtbank te Maastricht het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
2. Op 21 september 2005 heeft een advocaat tegen deze beslissing cassatie ingesteld. Middelen van cassatie zijn niet ingediend.
3.1. Artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden luidt als volgt:
"1. De veroordeelde kan tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, binnen veertien dagen na de dag waarop zijn celmateriaal is afgenomen onderscheidenlijk de dag waarop de mededeling, bedoeld in artikel 6, derde lid, is betekend, een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen. De zesde afdeling van Titel I van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
2. Het bezwaarschrift is met redenen omkleed.
3. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
4. Zolang tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel een bezwaarschrift kan worden ingediend en zolang een ingediend bezwaarschrift niet is ingetrokken of daarop niet is beslist, wordt op basis van het celmateriaal van de veroordeelde geen DNA-profiel bepaald.
5. Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaart, beveelt zij de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd."
3.2. De laatste volzin van het eerste lid bepaalt dat de Afdeling die handelt over de raadkamer van toepassing is zodat het bezwaarschrift in raadkamer wordt behandeld. Het gaat ook in deze zaak om een beschikking die niet op de terechtzitting is gegeven (artikel 138 Sv). Ingevolge artikel 445 Sv staat tegen beschikkingen hoger beroep of beroep in cassatie niet open en is een bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen die in het wetboek zijn aangegeven.
3.3. De wetgever heeft ten behoeve van de veroordeelde voorzien in de mogelijkheid van een bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, maar heeft tegen de beschikking op dat bezwaarschrift geen rechtsmiddel aangewezen. De slotsom moet dan ook zijn dat ieder rechtsmiddel dat tegen de beschikking op zo een bezwaarschrift wordt ingediend niet ontvankelijk is, ook al zou in cassatie tijdig (zie artikel 447 lid 5 Sv) een cassatieschriftuur worden ingediend.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2006:AW4483 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2006:AW4483 Hoge Raad, 30 mei 2006 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.