Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 25 september 2001

ECLI:NL:PHR:2001:AB3142Zaaknummer 01938/00 B

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01938/00 B
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

-

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij beschikking van 6 december 1999 heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem een verzoekschrift op grond van art. 577b Sv, strekkende tot kwijtschelding subsidiair vermindering van een bij beslissing van 20 februari 1997 door de Politierechter in die Rechtbank krachtens art. 36e Sr opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van fl. 30.000,= subsidiair twee maanden hechtenis, afgewezen.

2. Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 17 december 1999 een rechtsmiddel doen instellen. Door of namens hem zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ingevolge art. 445 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen beschikkingen hoger beroep en beroep in cassatie alleen open in de gevallen waarin dat in het Wetboek is bepaald.

Nu in het Wetboek van Strafvordering geen bepaling voorkomt ingevolge welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat, kan verzoeker in het door hem ingestelde beroep niet worden ontvangen.

Aangezien tegen zo een beschikking ook hoger beroep niet is opengesteld, kan het ingestelde rechtsmiddel evenmin als zodanig worden aangemerkt.

4. Deze conclusie strekt ertoe dat verzoeker in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Volledige tekst

Nr. 01938/00/B

Mr Wortel

Zitting: 12 juni 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij beschikking van 6 december 1999 heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem een verzoekschrift op grond van art. 577b Sv, strekkende tot kwijtschelding subsidiair vermindering van een bij beslissing van 20 februari 1997 door de Politierechter in die Rechtbank krachtens art. 36e Sr opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van fl. 30.000,= subsidiair twee maanden hechtenis, afgewezen.

2. Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 17 december 1999 een rechtsmiddel doen instellen. Door of namens hem zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ingevolge art. 445 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen beschikkingen hoger beroep en beroep in cassatie alleen open in de gevallen waarin dat in het Wetboek is bepaald.

Nu in het Wetboek van Strafvordering geen bepaling voorkomt ingevolge welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat, kan verzoeker in het door hem ingestelde beroep niet worden ontvangen.

Aangezien tegen zo een beschikking ook hoger beroep niet is opengesteld, kan het ingestelde rechtsmiddel evenmin als zodanig worden aangemerkt.

4. Deze conclusie strekt ertoe dat verzoeker in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.