Uitspraak · Civiel recht

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 3 februari 2025

ECLI:NL:OGEAC:2025:92Zaaknummer CUR202301555

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
3 februari 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
CUR202301555
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming levering erfpachtsrecht

4 De beslissing

Het gerecht:

4.1.

bepaalt dat dit vonnis de medewerking van [gedaagde] vervangt aan het leveren van het erfpachtrecht aan de enige erfgenaam van [belanghebbende 1] kavel 1975/38, zoals omschreven in rechtsoverweging 2.1;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere procesverloop
  2. 2 De vordering
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202301555

Vonnis van 3 februari 2025

in de zaak van

[Eiser], pro se en in de hoedanigheid van erfgenaam van [belanghebbende 1],wonende in [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. M.T.J. Cicilia,

tegen

[Gedaagde],

wonende in [stad], [land],

gedaagde, vertegenwoordigd met schriftelijke volmacht door [belanghebbende 2] (zoon van gedaagde).

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

Samenvatting

Deze zaak gaat over de medewerking aan het leveren van een erfpachtrecht dat door [gedaagde] aan [belanghebbende 1] op 3 februari 1992 is verkocht. Partijen zijn het erover eens dat het erfpachtrecht moet worden geleverd. Omdat [gedaagde] thans 90 jaar oud is en in [land] woont, zal het gerecht om praktische redenen aan [eiser] vervangende toestemming verlenen als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Het verdere procesverloop blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 11 maart 2024,
  • de akte van 8 april 2024 met producties van [eiser],
  • de akte van 15 april 2024 van [eiser],
  • de verbeterde betekende oproeping van [gedaagde] met producties van 10 juni 2024;
  • de conclusie van antwoord met producties van 26 augustus 2024;
  • de akte uitlating met een productie van 26 augustus 2024 van [eiser],
  • mondelinge behandeling van 29 oktober 2024,
  • de akte uitlating van 16 december 2024 van [eiser].
1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De vordering

2.1. [

eiser] heeft bij akte van 16 december 2024 (opnieuw) zijn eis gewijzigd en vordert dat de rechter bij vonnis de medewerking van [gedaagde] overbodig maakt.

2.1.

Hij legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] en [belanghebbende 1] op 3 februari 1992 een overeenkomst zijn aangegaan, waarbij [gedaagde] aan [belanghebbende 1] heeft verkocht het erfpachtrecht met al hetgeen daarop is gebouwd, bekend als [woning 1] van het verkavelingsplan [verkavelingsplan 1], nader omschreven in meetbrief 1975/38 tegen de prijs van NAf 2.000. In de overeenkomst heeft [gedaagde] verklaard dit bedrag te hebben ontvangen en hebben partijen zich verbonden zorg te dragen voor de verdere afwikkelingen van de overdracht van het erfpachtrecht. Van dit laatste is het tot op heden niet gekomen. [gedaagde] is thans 90 jaar en woont in Nederland.

3 De beoordeling

3.1.

Het gerecht beschouwt de vordering als een beroep op artikel 3:300 lid 2 BW en dat [eiser] bedoelt dat het gerecht zal bepalen dat het vonnis in de plaats van de leveringsakte of een deel daarvan treedt. Tegen deze (laatste) eiswijziging heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. [gedaagde] heeft zich ervan vergewist dat de familie (en erfgenamen) van [belanghebbende 1], voor zover nodig, akkoord zijn met de levering van het erfpachtrecht aan [eiser].Nu [gedaagde] in de stukken en ter zitting (bij monde van [belanghebbende 2]) ondubbelzinnig ervan heeft blijk gegeven in te stemmen met de levering, zal het gerecht om praktische redenen de vordering toewijzen als na te melden.

3.2.

In de procedurele gang van zaken, waarbij [gedaagde] al in een vroeg stadium heeft laten weten te zullen meewerken aan de levering en verweer heeft gevoerd tegen het rauwelijks dagvaarden, ziet het gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

Het gerecht:

4.1.

bepaalt dat dit vonnis de medewerking van [gedaagde] vervangt aan het leveren van het erfpachtrecht aan de enige erfgenaam van [belanghebbende 1] kavel 1975/38, zoals omschreven in rechtsoverweging 2.1;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.