Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 1 april 2026

ECLI:NL:OGEABES:2026:87Zaaknummer BON202500372

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
BON202500372
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om uithuisplaatsing afgewezen. Niet noodzakelijk. Veiligheid en ontwikkeling in de thuissituatie op dit moment voldoende geborgd.

4 De beslissing

Het gerecht:

4.1.

wijst het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, in het openbaar uitgesproken op 1 april in tegenwoordigheid van de griffier en op 2 april 2026 op schrift gesteld.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek en de beoordeling
  4. 4 De beslissing

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Registratienummer: BON202500372

datum beslissing: 1 april 2026

op het verzoek van:

ZORG EN JEUGD CARIBISCH NEDERLAND

gevestigd te Bonaire,

hierna: ZJCN,

Met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats],

hierna: [minderjarige].

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

wonende te Bonaire,

hierna: de moeder,

en

[de vader], wonende te Bonaire,

hierna: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) BES is in de procedure gekend de Voogdijraad Caribisch Nederland (hierna: de Voogdijraad)

1 Het procesverloop

1.1.

Op 12 februari 2026 heeft ZJCN een verzoekschrift ingediend.

1.2.

De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Daarbij zijn verschenen namens ZJCN: mevrouw [medewerker ZJCN 1], mevrouw [medewerker ZJCN 2], mevrouw [medewerker ZJCN 3] en mevrouw [medewerker ZJCN 4]. Namens de Voogdijraad was mevrouw [medewerker voogdijraad] aanwezig. Ook waren er twee medewerkers van Refugio Thabitha aanwezig en een medewerker van de reclassering. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de medewerkers van Refugio Thabita een ‘omgangs- en samenwerkingsplan [minderjarige]’ overgelegd.

1.3.

Na afloop van de mondelinge behandeling is door de rechter meteen mondeling uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1. [

minderjarige] is op 27 april 2025 voorlopig onder toezicht van ZJCN gesteld. Bij beschikking van 25 juli 2025 is [minderjarige] definitief onder toezicht gesteld van ZJCN voor de duur van een jaar.

2.2. [

minderjarige] woont inmiddels met zijn moeder bij Refugio Tabitha. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige].

3 Het verzoek en de beoordeling

3.1

ZJCN verzoekt de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een pleegouder [pleegouder] voor de duur van de ondertoezichtstelling. ZJCN heeft daaraan – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] binnen de thuissituatie onvoldoende kan worden geborgd.

3.2.

Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat het verzoek van ZJCN gebaseerd is op achterhaalde omstandigheden. De moeder heeft samen met de medewerkers van Refugio Tabitha gewerkt aan een plan waarbij zij met [minderjarige] in een eigen woning - waar zij concreet zicht op heeft - zal gaan wonen. Dat plan is met alle betrokkenen besproken en iedereen staat daarachter. In dat plan zal [pleegouder] een grote rol spelen. [minderjarige] kan – aanvullend op dat plan - ook bij [pleegouder] slapen als het moeder toch teveel wordt. De Voogdijraad heeft ter zitting geadviseerd om de moeder een kans te geven om samen met [minderjarige] thuis te gaan wonen. De moeder zal ook worden ondersteund door hulpverlening van ZJCN en MHC. De reclassering heeft ter zitting benadrukt dat het wel heel belangrijk is dat de hulpverlening van MHC op korte termijn zal starten.

3.3.

Het gerecht overweegt als volgt. Gelet op het plan en alle betrokken hulpverlening vindt het gerecht het op dit moment niet noodzakelijk om [minderjarige] uit huis te plaatsen. De veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] in de thuissituatie is op dit moment voldoende geborgd. Het verzoek om uithuisplaatsing van [minderjarige] zal dan ook worden afgewezen. Het is wel belangrijk dat de moeder mee blijft werken met alle hulpverlening en dat zij een start gaat maken met MHC. Daarnaast is het belangrijk dat de moeder het tijdig aangeeft als het haar toch teveel wordt, zodat [pleegouder] dan tijdelijk een aantal extra taken kan overnemen. Mocht het onverhoopt niet goed gaan met de moeder en [minderjarige] thuis, dan kan er vanzelfsprekend een nieuw verzoek worden ingediend.

4 De beslissing

Het gerecht:

4.1.

wijst het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, in het openbaar uitgesproken op 1 april in tegenwoordigheid van de griffier en op 2 april 2026 op schrift gesteld.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.