Uitspraak · Ambtenarenrecht

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 29 juni 2026

ECLI:NL:OGAACMB:2026:44Zaaknummer BON202500041

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
19 augustus 2026
Zaaknummer
BON202500041
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Ambtenarenrecht
Procedure
Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bezwaar niet-ontvankelijk. Klaagster had eerst administratief bezwaar moeten maken bij het Bestuurscollege alvorens zij bezwaar kon maken bij het Gerecht.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

- verklaart het bezwaar van klaagster niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de RvBAz van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door het Gerecht
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Uitspraak

in de zaak van:

[klaagster],

wonende te Bonaire,

klaagster,

gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam,

tegen:

het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire,

hierna: het Bestuurscollege,

verweerster,

gemachtigde: mr. S.C. van Lint

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klaagster tegen het besluit van het Bestuurscollege van 27 december 2024 om haar vanaf 1 april 2022 te bezoldigen in schaal 8 op grond van een herwaardering van haar functie (het bestreden besluit).

1.1

Klaagster heeft op 24 januari 2025 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit.

1.2

Het Bestuurscollege heeft op 13 mei 2025 een contramemorie ingediend.

1.3

Het Gerecht heeft het bezwaar op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Bestuurscollege heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [medewerker Bestuurscollege]. De behandeling heeft plaatsgevonden middels een videoconference verbinding, waarbij het Gerecht tegenwoordig was in het gerechtsgebouw van Curaçao en klaagster, haar gemachtigde en namens het Bestuurscollege mrs. Van Lint en [medewerker Bestuurscollege] tegenwoordig waren in het gerechtsgebouw van Bonaire.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht is van oordeel dat het bezwaar van klaagster niet-ontvankelijk is. Klaagster had eerst administratief bezwaar moeten maken bij het Bestuurscollege alvorens zij bezwaar kon maken bij het Gerecht. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

3. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

Klaagster was werkzaam als kwaliteitsmedewerker Burgerzaken bij het Openbaar Lichaam Bonaire. Op 10 oktober 2024 is zij met pensioen gegaan.

3.2.

Bij brief van 15 april 2024 verzoekt klaagster het Bestuurscollege om uitvoering te geven aan een herwaardering van haar functie, die haar was beloofd tijdens een gesprek op 19 april 2022. Klaagster wijst daarbij op een rapport van 8 november 2022, waarin de functie kwaliteitsmedewerker Burgerzaken is gewaardeerd op schaal 10.

3.3.

Op 22 mei 2024 stuurt klaagster een rappelbrief aan het Bestuurscollege met het verzoek om haar met terugwerkende kracht in de functie van kwaliteitsmedewerker Burgerzaken met bijbehorende bezoldigingsschaal 10 te benoemen.

Wat heeft het Bestuurscollege aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd?

4. In het bestreden besluit heeft het Bestuurscollege beslist om klaagster met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2022 te bezoldigen conform schaal 8. Het Bestuurscollege legt uit dat het rapport van 8 november 2022 geen herwaardering van de functie van klaagster betrof, maar een beschrijving en waardering van een nieuwe functie met andere taken dan die van klaagster. Door de ontstane verwarring en om recht te doen aan de specifieke situatie en het functioneren van klaagster heeft in juni 2024 alsnog een herwaardering van de functie van klaagster plaatsgevonden. Op basis van deze herwaardering, neergelegd in een rapport van 28 juni 2024, heeft het Bestuurscollege het bestreden besluit genomen.

Wat is het wettelijk kader?

5. Het volgend wettelijk kader is in deze zaak relevant.

5.1.

Artikel 3, eerste lid, van de Wet Ambtenarenrechtspraak 1951 BES (War 1951 BES) luidt kort gezegd: over de beschikkingen, handelingen en weigeringen (om te beschikken of te handelen) ten aanzien van ambtenaren door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, oordeelt bij uitsluiting in eerste aanleg het gerecht in ambtenarenzaken en in hoger beroep de raad van beroep in ambtenarenzaken.

Artikel 35, eerste lid, van de War 1951 BES bepaalt kort gezegd dat een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken.

Artikel 35, vijfde lid, van de War 1951 BES luidt: indien tegen beschikkingen, handelingen of weigeringen administratief beroep bestaat kan het in het eerste lid bedoelde bezwaarschrift alleen worden gericht tegen de in beroep genomen beslissingen.

5.2.

Artikel 17, eerste lid, van de Bezoldigingsregeling Bonaire 2016 (de Bezoldigingsregeling) bepaalt kort gezegd dat de ambtenaar binnen een maand, nadat hij van de beslissing inzake de vaststelling van een bezoldiging of inzake de toekenning van een verhoging in kennis is gesteld, zijn bezwaren ertegen aan het bevoegde gezag kenbaar kan maken door de indiening van een bezwaarschrift.

Artikel 18, derde lid, van de Bezoldigingsregeling bepaalt dat de beslissing op het bezwaar een beschikking is als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de War 1951 BES.

5.3.

De Bezoldigingsregeling is blijkens haar aanhef gegrond op de Ambtenarenwet BES (Aw BES) en artikel 15 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES (het Rechtspositiebesluit) en stelt regels met betrekking tot de bezoldiging van de ambtenaren in dienst van het openbaar lichaam Bonaire.

In artikel 15, aanhef en onder b, van het Rechtspositiebesluit is bepaald dat voor zover niet bij of krachtens de wet afwijkende regels zijn gesteld, de bezoldiging geschiedt met inachtneming van de bepalingen in deze paragraaf en overeenkomstig regels vastgesteld bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, voor ambtenaren in dienst van een openbaar lichaam.

Volgens artikel 93 van het Rechtspositiebesluit berust het besluit onder meer op artikel 17 van de Aw BES. Artikel 17 van de Aw BES bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de bezoldiging van ambtenaren, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen ambtenaren in dienst van de staat en ambtenaren in dienst van de openbare lichamen.

Is het bezwaar van klaagster ontvankelijk?

6. De vraag die allereerst aan het Gerecht voorligt is of het bezwaar van klaagster ontvankelijk is. Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

6.1.

Het Gerecht stelt vast dat het verzoek van klaagster en het daarop genomen besluit in de kern berusten op de toekenning van een hogere bezoldigingsschaal op grond van een herwaardering van haar functie. Klaagster heeft weliswaar ter zitting toegelicht dat het haar ook gaat om benoeming in de op schaal 10 gewaardeerde functie, maar zij heeft daaraan toegevoegd dat zij zonder de benoeming het salaris van schaal 10 niet kan krijgen. Verder blijkt uit de formulering van haar verzoeken dat het klaagster primair gaat om een hogere inschaling ofwel waardering van haar functie.

6.2.

Dat betekent dat de Bezoldigingsregeling van toepassing is, die in artikel 17, eerste lid, de mogelijkheid van administratief bezwaar openstelt. Uit rechtspraak van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBaz) volgt dat slechts bij wet in formele zin in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de War 1951 BES administratief beroep (of administratief bezwaar) kan worden opengesteld.[_5437ca94-ea1f-4b6d-9a48-b4f3e7d98248] Is dat bij wet in formele zin uitdrukkelijk geregeld, dan kan op grond van artikel 35, vijfde lid, van de War 1951 BES het Gerecht eerst worden geadieerd ter zake van de beslissing van het bevoegd gezag op het administratief bezwaar.

Zoals hiervoor in 5.3 is toegelicht, vindt de Bezoldigingsregeling haar grondslag via het Rechtspositiebesluit in de Aw BES. Het Gerecht is daarom van oordeel dat klaagster op grond van artikel 35, vijfde lid, van de War 1951 BES eerst bezwaar bij het Bestuurscollege had moeten maken, alvorens zij bezwaar kon maken bij het Gerecht.

6.3.

Voor zover klaagster betoogt dat het administratief bezwaar facultatief is en dat zij een vrije keuze had tussen het maken van administratief bezwaar en bezwaar bij het Gerecht, volgt het Gerecht haar betoog gelet op het voorgaande niet. Klaagster baseert zich bovendien op twee uitspraken die geen betrekking hebben op de onderhavige zaak: het niet nader door haar aangeduide Procola-arrest en een uitspraak van het Gerecht Sint Maarten.[_d65fc01e-9a99-44f4-b16a-6ce2cdd12164] Voor zover de gemachtigde van klaagster met het Procola-arrest doelt op het arrest van het EHRM van 28 september 1995, slaagt het beroep daarop niet, alleen al omdat dit arrest betrekking had op een geheel andere kwestie, namelijk de dubbele rol van de Luxemburgse Raad van State in zowel wetgeving als rechtspraak en de onpartijdigheid van het rechterlijk college van dat orgaan. De door klaagster aangehaalde uitspraak van het Gerecht Sint Maarten baat haar evenmin, omdat in die zaak andere wetgeving van toepassing was, namelijk de ambtenarenwetgeving van Sint Maarten, en daarom niet worden vergeleken met de onderhavige zaak.

Conclusie en gevolgen

7. Het bezwaar is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Het Bestuurscollege hoeft geen proceskosten te vergoeden.

8. Het Bestuurscollege heeft verzocht om klaagster te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten wegens misbruik van procesrecht. Volgens het Bestuurscollege is de gemachtigde van klaagster herhaaldelijk gewezen op de verplichte rechtsgang van administratief bezwaar en heeft het Bestuurscollege aangeboden om het bezwaarschrift aan te merken als tijdig ingesteld administratief bezwaar, mits het bezwaar bij het Gerecht zou worden ingetrokken. Het Gerecht is in lijn met rechtspraak van de RvBaz[_a4c1a876-ae68-489a-8182-1f81346505f6] van oordeel dat in de War 1951 BES een bepaling ontbreekt die als kapstok kan dienen voor een overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij artikel 50, negende lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES op grond waarvan het Gerecht bevoegd is een natuurlijke persoon in de kosten te veroordelen in geval van een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Reeds daarom moet het verzoek van het Bestuurscollege worden afgewezen.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

- verklaart het bezwaar van klaagster niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de RvBAz van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.