Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 31 maart 2026
ECLI:NL:HR:2026:517Zaaknummer 25/00144
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 31 maart 2026
- Publicatiedatum
- 31 maart 2026
- Zaaknummer
- 25/00144
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie, Beschikking
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beklag ex art. 5:5.12 jo. 552a Sv na beslag ex art. 94a Sv op geldbedragen (1.701 Deense Kronen en € 7.810,73) onder veroordeelde in Denemarken n.a.v. Europees Bevriezingsbevel van Nederlandse autoriteiten, waarna rechter in ontnemingszaak tegen veroordeelde onherroepelijke betalingsverplichting van € 30.839,88 oplegt en beklagrechter de veroordeelde n-o verklaart in zijn klaagschrift omdat dit niet is ingediend binnen 3 maanden nadat vervolgde zaak tot einde is gekomen. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 6:4:4.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG, kan HR het cassatieberoep van veroordeelde niet in behandeling nemen. CAG: Door het onherroepelijk worden van ’s hofs uitspraak in ontnemingszaak tegen veroordeelde kon op dat moment worden aangevangen met tul van ontnemingsvordering. Het onherroepelijk worden van ’s hofs uitspraak in ontnemingszaak brengt immers mee dat conservatoir beslag op geldbedragen o.g.v. art. 6:4:9 jo. 6:4:4.2 Sv is overgegaan in executoriaal beslag. Onherroepelijke uitspraak geldt als executoriale titel (art. 6:4:4.2 Sv jo. art. 704.1 Rv). Verhaal geschiedt op wijze voorzien in Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat betekent dat veroordeelde geen belang heeft bij cassatieberoep tegen beschikking Rb. Veroordeelde n-o. Samenhang met 22/01213 P (niet gepubliceerd; ontnemingszaak tegen veroordeelde; art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG).
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00144 B
Datum 31 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 18 december 2024, nummer RK 24/021503, op een beklag op grond van artikel 5.5.12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[veroordeelde],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de veroordeelde.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft de advocaat V.S.J. Chorus bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het cassatieberoep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de veroordeelde niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.1 tot en met 3.4.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2026:100 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2026:100 Parket bij de Hoge Raad, 20 januari 2026 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.