Uitspraak · Strafrecht

Hoge Raad, 7 juli 2026

ECLI:NL:HR:2026:1012Zaaknummer 24/03898

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
24/03898
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie, Beschikking
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking Rb op vordering OvJ ex art. 552f.2 Sv tot onttrekking aan het verkeer van auto. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Heeft belanghebbende belang bij behandeling van cassatieberoep tegen beschikking Rb, nu hij niet redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. auto kan worden aangemerkt? Cassatieberoep richt zich tegen beschikking Rb a.b.i. art. 36b.1.4 Sr waarbij vordering OvJ a.b.i. art. 552f.2 Sv tot onttrekking aan het verkeer van een onder ander inbeslaggenomen personenauto is toegewezen. Rb heeft vastgesteld dat OvJ aan ander een transactievoorstel heeft gedaan dat inhoudt dat die ander niet vervolgd zal worden voor witwassen als wordt voldaan aan gestelde voorwaarden, waaronder het door hem doen van afstand van auto, en dat hij aan alle voorwaarden van transactie heeft voldaan. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat ander afstand heeft gedaan van auto als onderdeel van deze o.g.v. art. 74 Sr tussen hem en OvJ afgesloten transactie om strafvervolging te voorkomen. Belanghebbende heeft over de aan transactie verbonden voorwaarde dat ander afstand doet van auto een klaagschrift a.b.i. art. 552ab (oud) Sv ingediend. Rb heeft dit klaagschrift bij beschikking ongegrond verklaard. In HR:2026:1011 is cassatieberoep van belanghebbende tegen die beslissing van Rb verworpen, waardoor ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende niet redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. auto kan worden aangemerkt. Dat brengt mee dat belanghebbende onvoldoende belang heeft bij behandeling van cassatieberoep tegen beschikking Rb op vordering tot onttrekking aan het verkeer van die auto. Belanghebbende n-o. CAG: anders. Samenhang met 24/03894 B. Vervolg op HR:2024:267.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Procesverloop in cassatie
  2. 2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
  3. 3 Beslissing

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03898 B

Datum 7 juli 2026

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2024, nummer RK 24/006518, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak

van

[belanghebbende],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de belanghebbende.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de belanghebbende. Namens deze heeft de advocaat I.A. van Straalen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.1

Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van de rechtbank als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) waarbij een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tot onttrekking aan het verkeer van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen personenauto is toegewezen.

2.1.2

De rechtbank heeft in deze zaak vastgesteld dat de officier van justitie aan [betrokkene 1] een transactievoorstel heeft gedaan dat inhoudt dat [betrokkene 1] niet vervolgd zal worden voor witwassen als wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden, waaronder het door [betrokkene 1] doen van afstand van de onder 2.1.1 bedoelde auto, en dat [betrokkene 1] aan alle voorwaarden van de transactie heeft voldaan. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat [betrokkene 1] afstand heeft gedaan van de auto als onderdeel van deze op grond van artikel 74 Sr tussen [betrokkene 1] en de officier van justitie afgesloten transactie om strafvervolging te voorkomen.

2.2

De belanghebbende heeft over de aan de transactie verbonden voorwaarde dat [betrokkene 1] afstand doet van de auto een klaagschrift als bedoeld in artikel 552ab (oud) Sv ingediend. De rechtbank heeft dit klaagschrift bij beschikking van 8 mei 2024 ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft bij beschikking van vandaag, ECLI:NL:HR:2026:1011 (24/03894 B) het cassatieberoep van de belanghebbende tegen die beslissing van de rechtbank verworpen, waardoor ervan moet worden uitgegaan dat de belanghebbende niet redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de auto kan worden aangemerkt. Dat brengt mee dat de belanghebbende onvoldoende belang heeft bij de behandeling van het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank op de vordering tot onttrekking aan het verkeer van die auto.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.