Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 10 december 2021
ECLI:NL:HR:2021:1748Zaaknummer 20/02304
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 10 december 2021
- Publicatiedatum
- 10 december 2021
- Zaaknummer
- 20/02304
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; correctie van aftrekposten na controle aangifte; project 1043 en databank FSV; rechtmatigheid besluit aangifte te controleren; gevolgen schending AVG of Wpb.
7 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2021.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/02304
Datum 10 december 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 juni 2020, nr. BK 19/00750, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 19/2584) betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordig door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 17 juni 2021 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.[_b8a2e332-380c-4b9c-b757-930642668562]
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 aangifte in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan. Daarin heeft zij kosten in verband met alimentatie en specifieke zorgkosten in aftrek gebracht.
Voorafgaand aan het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende informatie gevraagd over die kosten. Die vragen zijn gesteld bij brief van 1 november 2016, met kenmerk B/CA-UPB/16/171 1043-2014-3.
Nadat belanghebbende op dat verzoek had gereageerd, heeft de Inspecteur op 29 juni 2017 de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2014 opgelegd. Daarbij is de aftrek voor kosten in verband met alimentatie geweigerd en de aftrek voor specifieke zorgkosten lager vastgesteld dan in de aangifte was vermeld.
3 De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2014 tot een te hoog bedrag is vastgesteld en of de Inspecteur in strijd heeft gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur door bij belanghebbende informatie op te vragen over de in aftrek gebrachte kosten.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank gevolgd waarin is vooropgesteld dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat zij recht heeft op de aftrekposten die zij in haar aangifte in mindering heeft gebracht op haar inkomen. De Inspecteur mag in dat verband informatie opvragen bij belanghebbende. Er is niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur gehandeld, aldus het Hof.
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een hogere aftrek dan de aftrek die de Inspecteur heeft toegestaan.
Het Hof heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de in rekening gebrachte belastingrente verworpen met verwijzing naar hetgeen de Rechtbank daarover had geoordeeld. Dat oordeel luidt dat de in rekening gebrachte belastingrente in het voordeel van belanghebbende door de Inspecteur is beperkt tot 19 weken na het indienen van de aangifte, hoewel bij de aanslag is afgeweken van de aangifte, en dat terecht en niet naar een te hoog bedrag belastingrente in rekening is gebracht.
4 Beoordeling van de klachten
De berekening van de aanslag
Belanghebbende komt met zeven klachten op tegen het oordeel van het Hof. De tweede, de derde, de vijfde en de zevende klacht zijn gericht tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Datzelfde geldt voor de zesde klacht. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO)).
Uit het voorgaande volgt dat de aanslag juist is berekend.
Belastingrente
De vierde klacht is gericht tegen het hiervoor in 3.4 weergegeven oordeel van het Hof. De klacht behelst dat het Hof had moeten oordelen dat de hoogte van de belastingrente in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) doordat wettelijk voor die rente een ondergrens van vier procent is vastgesteld terwijl de wettelijke rente in werkelijkheid drie procent is.
Het Hof heeft bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid van de aan belanghebbende in rekening gebrachte belastingrente in aanmerking genomen dat die rente over een veel kortere periode in rekening is gebracht dan voortvloeit uit de wet. De rente is ten onrechte op de voet van artikel 30fc, lid 3, AWR berekend over de periode van 1 juli 2015 tot en met 12 mei 2016 (19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte). Uit artikel 30fc, lid 2, AWR, in samenhang gelezen met artikel 9, lid 1, Invorderingswet 1990, vloeit echter voort dat belastingrente zou moeten worden berekend tot 6 weken na dagtekening van het aanslagbiljet, dus tot 9 augustus 2017. Het gegeven dat aan belanghebbende over een zo veel kortere periode rente in rekening is gebracht dan uit de wet voortvloeit, brengt in dit geval mee dat aan haar al rechtsherstel is geboden voor een eventuele strijdigheid van het systeem van berekenen van belastingrente met artikel 1 EP, zoals door belanghebbende gesteld. Het Hof heeft daarom terecht geoordeeld dat de aan belanghebbende in rekening gebrachte belastingrente niet te hoog is. De klacht faalt.
Project 1043 en de databank FSV
De eerste klacht is gericht tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. De klacht betoogt onder meer dat het Hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het zogenoemde project 1043 van de Belastingdienst. Volgens de klacht is dat project gebaseerd op een risicoselectie en kan de inspecteur bij de behandeling van een aangifte IB/PVV daaraan een code (AKI 1043) geven die ertoe leidt dat de aangiften de komende vijf jaar worden uitgeworpen voor controle, waarna de resultaten van die controles (tot begin 2018) worden vastgelegd in een databank genaamd ‘Fraude Signalering Voorziening’ (hierna: databank FSV). Een van de factoren voor de risicoselectie in project 1043 is het opvoeren van hoge zorgkosten in de aangifte. Belanghebbende is inmiddels op grond van dit project 1043 uitgevraagd over de aangiften voor de jaren 2013 tot en met 2017. In de klacht wordt voorts betoogd dat uit de bevindingen van een door KPMG ingesteld onderzoek blijkt dat het bijhouden van de databank FSV in strijd is met de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) en beginselen van behoorlijk bestuur. Deze vorm van fraudebestrijding door de Belastingdienst is daarom onrechtmatig, en mag dus niet als basis dienen voor de correctie van de aangifte, aldus de klacht.
De klacht van belanghebbende over project 1043, de databank FSV en het gebruik ervan jegens haar, is niet bij het Hof, maar voor het eerst in cassatie aangevoerd. Voor de beoordeling van de gegrondheid van deze klacht is een feitelijk onderzoek nodig naar de inhoud van project 1043, de databank FSV en het gebruik ervan jegens belanghebbende. Zo’n onderzoek kan de Hoge Raad niet verrichten. De Hoge Raad moet namelijk op grond van artikel 79 Wet RO in beginsel uitgaan van de feiten zoals die in de bestreden uitspraak zijn vastgelegd. De Hoge Raad mag, afgezien van bijzondere situaties die hier niet aan de orde zijn, zijn beslissing niet baseren op feiten die voor het eerst in cassatie zijn aangevoerd.
Een dergelijk onderzoek kan wel worden verricht door een feitenrechter, zoals het Hof. Omdat echter belanghebbende haar klacht over project 1043, de databank FSV en het gebruik ervan jegens haar niet bij het Hof naar voren heeft gebracht, kan de Hoge Raad niet oordelen dat het Hof een onderzoek daarnaar ten onrechte achterwege heeft gelaten. Dit heeft tot gevolg dat de eerste klacht niet kan leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof.
Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot het oordeel dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
5 Ten overvloede
Herziening
Uit het beroepschrift in cassatie, de conclusie van repliek, en de daarin weergegeven bronvermeldingen blijkt dat de informatie over project 1043 en de databank FSV, waarnaar de eerste klacht verwijst, voor het overgrote deel dateert van na de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan. Bovendien is ook nadien nog informatie daarover bekend gemaakt.[_982db15d-1ee5-4a97-a70a-ad83d60695ca] In zoverre zijn dat feiten en omstandigheden die belanghebbende niet bij het Hof te berde had kunnen brengen, en die het Hof daarom niet heeft kunnen meewegen bij zijn oordeel als hiervoor vermeld in 3.2 over de klacht van belanghebbende dat de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door de wijze waarop hij in het kader van de controle van de aangifte informatie bij haar heeft opgevraagd.
Niet uitgesloten kan worden dat belanghebbende hierin aanleiding ziet een verzoek in te dienen tot herziening van de uitspraak van het Hof. Herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak kan plaatsvinden op grond van feiten of omstandigheden die bij de indiener van het verzoek tot herziening vóór die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.[_3516dcdd-76fe-453a-9627-2c8b54416371] Opmerking verdient dat de Hoge Raad niet kan overzien of belanghebbende met succes een herzieningsverzoek bij het Hof zal kunnen indienen.
Algemene uitgangspunten
Met betrekking tot de beoordeling van een eventueel verzoek om herziening van de Hofuitspraak en mede met het oog op de behandeling van klachten van andere belastingplichtigen over project 1043, de databank FSV en het gebruik ervan jegens hen, zal de Hoge Raad al in dit stadium enige uitgangspunten schetsen.
De Hoge Raad gaat hierbij uit van de veronderstelling dat het steeds gaat om situaties waarin de op de aangifte aangebrachte correcties zien op aftrekposten of andere elementen van de aanslag ter zake waarvan de bewijslast op de belastingplichtige rust. Dit heeft tot gevolg dat bewijsuitsluiting geen effectieve reactie op eventueel onrechtmatig gedrag van de inspecteur kan zijn. De belastingplichtige zou daar niets mee opschieten.
Indien een belastingplichtige in zijn aangifte een aftrekpost opvoert en bij de aanslagregeling wordt geconstateerd dat hij op die aftrek (gedeeltelijk) geen recht heeft, is het niet onrechtmatig indien de inspecteur vervolgens onderzoek gaat doen naar aangiften van eerdere jaren. Evenmin onrechtmatig is het besluit van de inspecteur om – na die constatering – de aangiften van de belastingplichtige over latere jaren te gaan controleren. Dat geldt in beginsel ook indien die constatering ertoe leidt dat gegevens van de belastingplichtige worden opgeslagen in een bestand, en zelfs indien die gegevensverwerking op zichzelf beschouwd onrechtmatig is. De rechtmatigheid van het besluit van de inspecteur om een aangifte te controleren wordt in beginsel niet aangetast door de manier waarop informatie over de belastingplichtige is verwerkt.
Dat kan anders zijn indien de controle van de aangifte voortvloeit uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens de belastingplichtige leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Indien de rechter tot de bevinding komt dat zo’n uitzonderlijke situatie aan de orde is, is het niet uitgesloten dat hij daaraan de slotsom verbindt dat de controle van de aangifte van de belastingplichtige heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van hetgeen bij die controle aan het licht is gekomen onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In dat uitzonderlijke geval komt aan de inspecteur niet de bevoegdheid toe om de aangifte van de belastingplichtige te corrigeren naar aanleiding van die bij de controle aan het licht gekomen punten. Indien een belastingplichtige gemotiveerd stelt dat de hier bedoelde uitzonderlijke situatie zich in zijn geval heeft voorgedaan, dient de inspecteur aan de belastingplichtige en de rechter de gegevens te verstrekken die voor de beoordeling hiervan van belang kunnen zijn.
Tot de hiervoor in 5.3 geschetste uitzonderlijke situaties kan niet zonder meer worden gerekend het geval waarin de Belastingdienst het recht van een belastingplichtige op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer heeft geschonden door gegevens van die belastingplichtige te verwerken op een wijze die door de inhoud, het gebruik of de verspreiding van de desbetreffende bestanden – eventueel op onderdelen – in strijd is met de Wet bescherming persoonsgegevens of de AVG. Indien zou worden geconstateerd dat de door deze regelingen beoogde bescherming van de persoonlijke levenssfeer door de verwerking van persoonsgegevens is geschaad, kan dat dus niet leiden tot een verlaging van een – op zichzelf bezien juist berekende – aanslag. Evenmin kan de belastingrechter in zo’n geval aan een belastingplichtige een schadevergoeding toekennen. Dat kan namelijk alleen als de aanslag onrechtmatig is.[_ba67edab-55eb-4146-a586-50b41aeb06a6] Bovendien geldt dat de belastingrechter in procedures over rijksbelastingen (met uitzondering van vennootschapsbelasting) alleen een schadevergoeding kan toekennen als het beroep tegen de aanslag gegrond is[_e98f95db-7371-47d5-9f75-9c4ee69b1f54]. Dat betekent dat een belastingplichtige in de hiervoor geschetste gevallen voor een eventuele schadevergoeding een afzonderlijk verzoek moet richten tot het desbetreffende bestuursorgaan en dat een eventuele procedure daarover moet worden gevoerd voor de algemene bestuursrechter[_79a40f10-1955-42a6-a709-9efe550899be] of de civiele rechter.
6 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2021.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2021:617 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1206 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHARL:2026:5745 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1561 Rechtbank Noord-Holland, 12 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:557 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2575 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2395 Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2367 Gerechtshof Den Haag, 30 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:7311 Rechtbank Noord-Holland, 5 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6633 Rechtbank Noord-Holland, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:348 Gerechtshof Den Haag, 20 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:588 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:28 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:26 Gerechtshof Den Haag, 9 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:1398 Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2612 Gerechtshof Den Haag, 11 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3758 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6687 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6688 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6689 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6690 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6691 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6693 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6694 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2420 Gerechtshof Den Haag, 23 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2089 Gerechtshof Den Haag, 9 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3522 Rechtbank Noord-Nederland, 10 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:2958 Rechtbank Noord-Nederland, 30 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1256 Gerechtshof Den Haag, 24 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4873 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4874 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4880 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5068 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1948 Gerechtshof Amsterdam, 9 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1032 Gerechtshof Den Haag, 19 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:3759 Rechtbank Gelderland, 19 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2041 Gerechtshof Amsterdam, 28 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1712 Gerechtshof Amsterdam, 14 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2179 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:308 Gerechtshof Den Haag, 28 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:309 Gerechtshof Den Haag, 28 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:422 Gerechtshof Amsterdam, 13 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:126 Gerechtshof Den Haag, 24 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:612 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:9142 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1221 Parket bij de Hoge Raad, 22 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3501 Gerechtshof Amsterdam, 14 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3572 Gerechtshof Amsterdam, 14 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18807 Rechtbank Den Haag, 22 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:9663 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2077 Gerechtshof Den Haag, 26 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2087 Gerechtshof Den Haag, 26 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2088 Gerechtshof Den Haag, 26 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:5616 Rechtbank Gelderland, 13 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3196 Gerechtshof Amsterdam, 14 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3197 Gerechtshof Amsterdam, 14 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1862 Gerechtshof Den Haag, 7 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3187 Gerechtshof Amsterdam, 10 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:6594 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:6599 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1919 Gerechtshof Den Haag, 26 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1709 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 mei 2023 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.