Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 15 mei 2020
ECLI:NL:HR:2020:866Zaaknummer 19/05834
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 15 mei 2020
- Publicatiedatum
- 15 mei 2020
- Zaaknummer
- 19/05834
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
art. 8:43 lid 1 Awb; onderdeel A 1, punt 3, Bijlage Besluit Proceskosten Bestuursrecht; stuk met opschrift “conclusie van repliek” ingediend zonder dat de rechter daartoe gelegenheid heeft verschaft
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2020.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/05834
Datum 15 mei 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 december 2019, nr. BK-18/01034, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 18/1549) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2 Beoordeling van de klachten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Aan belanghebbende is met dagtekening 13 januari 2016 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. Het Hof heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende. In hoger beroep heeft belanghebbende, na ontvangst van het verweerschrift van de heffingsambtenaar, een stuk ingediend met het opschrift “conclusie van repliek”.
Het Hof heeft het bedrag van de door de heffingsambtenaar te vergoeden proceskosten vastgesteld met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij heeft het Hof geen punten toegekend voor het door belanghebbende als conclusie van repliek betitelde stuk.
De eerste klacht houdt in dat het Hof ten onrechte geen punten heeft toegekend voor de conclusie van repliek.
Artikel 8:43 Awb brengt mee dat de rechter kan besluiten de indiener van een beroepschrift in de gelegenheid te stellen schriftelijk te repliceren. Het procesdossier laat geen andere conclusie toe dan dat het Hof desgevraagd noch ambtshalve aan belanghebbende deze gelegenheid heeft verschaft. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat het Hof de heffingsambtenaar niet in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk te dupliceren.
Het Hof heeft het door belanghebbende ingediende stuk met het opschrift “conclusie van repliek” daarom kennelijk niet aangemerkt als repliek als bedoeld in onderdeel A1, punt 3, van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en hoeft niet nader te worden gemotiveerd. De eerste klacht faalt.
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2020.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3715 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBMNE:2026:23 Rechtbank Midden-Nederland, 9 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1989 Gerechtshof Amsterdam, 12 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:10305 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:361 Gerechtshof Amsterdam, 27 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3801 Gerechtshof Amsterdam, 7 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:10307 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:8281 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 augustus 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3715 Gerechtshof Den Haag, 17 december 2019 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.