Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 3 maart 2020
ECLI:NL:HR:2020:360Zaaknummer 18/04924
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 3 maart 2020
- Publicatiedatum
- 3 maart 2020
- Zaaknummer
- 18/04924
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Medeplegen van Opiumwet-delicten (art. 2.A, 2.B en 2.C Opiumwet) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Heeft hof ten onrechte vordering tul toegewezen nu deze vordering in h.b. niet “ter beoordeling voorlag” omdat deze in e.a. te laat is betekend? In e.a. is de vordering ttz. behandeld in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman, waarna de Rb in haar vonnis de tul heeft gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf. I.c. betreft een vordering tul van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit a.b.i. art. 14c.1 Sr. Zo’n vordering dient te worden ingediend door het OM dat met de vervolging van dat feit is belast, terwijl bij veroordeling t.z.v. dat feit de beslissing op de vordering deel uitmaakt van het vonnis. Het tegen dat vonnis ingestelde beroep brengt mee dat het onderzoek van de appelrechter zich mede tot die vordering dient uit te strekken. Ook in h.b. maakt de beslissing op de vordering deel uit van de in de strafzaak te geven uitspraak (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP4387). Middel berust op opvatting dat de enkele omstandigheid dat in e.a. sprake is geweest van een te late (betekening van de) oproeping voor de behandeling van de vordering tot gevolg heeft dat deze vordering in h.b. niet ter beoordeling voorligt. Deze opvatting is onjuist (vgl. ECLI:NL:HR:2018:2357). Volgt verwerping. Samenhang met 18/04726 en 18/05053.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2020.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04924
Datum 3 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 november 2018, nummer 23/001791-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben A.B.E. van Kan en A. Cinar, beiden advocaat te Heerlen, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf heeft toegewezen. Het voert daartoe aan dat deze vordering in hoger beroep niet “ter beoordeling voorlag”, omdat in eerste aanleg sprake was van een te late betekening van die vordering.
De uitspraak van het hof en de procesgang zijn, voor zover hier van belang, weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1, 3.2 en 3.16. In het bijzonder is daarbij van belang dat in eerste aanleg de vordering ter terechtzitting is behandeld in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman, waarna de rechtbank in haar vonnis de tenuitvoerlegging heeft gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf.
Het betreft hier een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de in artikel 14c lid 1 van het Wetboek van Strafrecht genoemde algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Een dergelijke vordering dient te worden ingediend door het openbaar ministerie dat met de vervolging van dat feit is belast, terwijl bij veroordeling ter zake van dat feit de beslissing op de vordering deel uitmaakt van het vonnis. Het tegen dat vonnis ingestelde beroep brengt mee dat het onderzoek van de appelrechter zich mede tot die vordering dient uit te strekken. Ook in hoger beroep maakt de beslissing op de vordering deel uit van de in de strafzaak te geven uitspraak. (Vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4387.)
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat de enkele omstandigheid dat in eerste aanleg sprake is geweest van een te late (betekening van de) oproeping voor de behandeling van de vordering tot gevolg heeft dat deze vordering in hoger beroep niet ter beoordeling voorligt. Deze opvatting is, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, onjuist (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2357 ten aanzien van een geval waarin in eerste aanleg de rechtbank niet aan een inhoudelijke behandeling van de vordering was toegekomen vanwege de nietigverklaring van de (betekening van de) oproeping). Het cassatiemiddel kan reeds op deze grond niet tot cassatie leiden.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2020.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2019:1087 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2331 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1829 Gerechtshof Den Haag, 2 juni 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3342 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 november 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3626 Gerechtshof Amsterdam, 15 april 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:789 Gerechtshof Amsterdam, 16 maart 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:1087 Parket bij de Hoge Raad, 29 oktober 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2331 Gerechtshof Amsterdam, 7 juni 2017 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.