Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 23 oktober 2020
ECLI:NL:HR:2020:1671Zaaknummer 19/05580
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2020
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2020
- Zaaknummer
- 19/05580
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 17, lid 3, Wet WOZ; gecorrigeerde vervangingswaarde; bewijslast; technische veroudering.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2020.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/05580
Datum 23 oktober 2020
ARREST
in de zaak van
STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 oktober 2019, nr. 18/00560, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/5769) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Ede voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2 Uitgangspunten in cassatie
2.1.1 Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak, gelegen aan de [a-straat 1] te [Q] (hierna: de onroerende zaak). De totale oppervlakte van de onroerende zaak is 6.165 vierkante meter. Het bouwjaar van de onroerende zaak is 1997.
2.1.2 De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak als bedoeld in artikel 17, lid 3, Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) per de waardepeildatum 1 januari 2016 vastgesteld op € 1.631.000. Dat is de gecorrigeerde vervangingswaarde, rekening houdend met – onder meer – de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische veroudering. Ter ondersteuning van de door hem verdedigde waarde heeft hij verwezen naar een taxatierapport. In dit rapport is aansluiting gezocht bij de kengetallen die zijn genoemd in de Taxatiewijzer Verzorging (hierna: de Taxatiewijzer), archetype N3800000 “Dagverblijf voor bezigheidstherapie en lichte werkzaamheden”.
2.1.3 In de Taxatiewijzer wordt voor installaties uitgegaan van een levensduur van 10 tot 20 jaar. In het taxatierapport is uitgegaan van een levensduur van 25 jaar.
2.2.1 Voor het Hof was onder meer de waarde van de tot de onroerende zaak behorende installaties in geschil.
2.2.2 Het Hof heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015[_f8d7d22b-5a6e-4c24-b15b-11eb98cbc5e3], geoordeeld dat de bewijslast ter zake van de stelling dat sprake is van technische veroudering van de installaties op belanghebbende rust.
2.2.3 Omdat het gebouw en de installaties op de waardepeildatum 19 jaar oud zijn, is voor de installaties in beginsel de restwaarde bereikt. Omdat het gebouw en de installaties normaal functioneren en het huidige gebruik niet op korte termijn zal worden beëindigd, is er echter aanleiding om voor de technische veroudering rekening te houden met een verlengde levensduur en de invloed daarvan op de in aanmerking te nemen restwaarde, aldus het Hof.
2.2.4 Gelet op het normale functioneren van de installaties en het voortgezet gebruik van het gebouw is de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof terecht uitgegaan van een (verlengde) levensduur van 25 jaar. Voorts acht het Hof aannemelijk dat de heffingsambtenaar, naar hij ter zitting geloofwaardig heeft verklaard, de restwaarde van de installaties daarbij naar beneden heeft bijgesteld, zodat de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof bij de waardering voldoende rekening heeft gehouden met de technische veroudering.
2.3.1 Het eerste middel richt zich tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof.
2.3.2 Het middel wordt terecht voorgesteld. Op grond van artikel 17, lid 3, Wet WOZ wordt bij de berekening van de vervangingswaarde onder andere rekening gehouden met de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering. Artikel 4, lid 2, Uitvoeringsregeling Wet WOZ bepaalt dat de technische veroudering is gebaseerd op de verstreken en resterende gebruiksduur en de restwaarde van de onroerende zaak. Aangezien de onroerende zaak en daarvan onderdeel uitmakende installaties op de waardepeildatum ongeveer 19 jaar oud waren, vloeit uit het systeem van de wet voort dat bij het bepalen van de vervangingswaarde rekening gehouden moet worden met technische afschrijving. Ten aanzien van deze technische afschrijving gelden de normale regels omtrent stelplicht en bewijslast.[_123c664f-e18a-4659-b47d-7061935c801a] Het in 2.2.2 gegeven oordeel van het Hof berust daarom op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden op grond van hetgeen hierna in 2.4.3 en 2.4.4 is overwogen.
2.4.1 Het tweede middel richt zich tegen de in 2.2.3 en 2.2.4 vermelde oordelen van het Hof. De omstandigheid dat de geschatte levensduur van de installaties wordt verlengd, heeft niet tot gevolg dat de restwaarde van de onroerende zaak in een later jaar dan op de initieel ingeschatte levensduur zal worden bereikt, aldus het middel.
2.4.2 Voor de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak is aangesloten bij de Taxatiewijzer, net zoals het geval was in de zaak die is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020[_211d84d1-f323-4d68-97db-7b1b8228e6fc] (hierna: het arrest van 31 januari 2020). In de Taxatiewijzer zijn richtsnoeren gegeven die als uitgangspunt kunnen dienen, en in dit geval ook hebben gediend, bij de vaststelling van de vervangingswaarde van in die Taxatiewijzer bedoelde onroerende zaken. Die richtsnoeren zien onder meer op de afschrijving voor technische veroudering en de restwaarde.
2.4.3 Zoals is overwogen in het arrest van 31 januari 2020 is het niet uitgesloten dat de aan de hand van een Taxatiewijzer bepaalde restwaarde van een onroerende zaak (of een onderdeel ervan) wordt bereikt terwijl de onroerende zaak nog in gebruik is bij de eigenaar/gebruiker en dezelfde functie als daarvoor blijft vervullen. Die omstandigheid kan aanleiding geven om bij de bepaling van de technische afschrijving en/of de restwaarde af te wijken van die Taxatiewijzer, ook als partijen de richtsnoeren van die Taxatiewijzer als uitgangspunt voor de waardering hebben aanvaard. Degene die aanspraak maakt op een zodanige afwijking moet de gronden daarvoor stellen en bij betwisting aannemelijk maken.
2.4.4 In het oordeel van het Hof ligt besloten dat de heffingsambtenaar in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat en in hoeverre het voortgezette gebruik van de onroerende zaak aanleiding was voor een aanpassing van de technische afschrijving en van de restwaarde van de installaties ten opzichte van de daarvoor gegeven richtsnoeren in de Taxatiewijzer. Dit oordeel geeft geen blijk van miskenning van het hiervoor overwogene. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel faalt daarom.
2.4.5 Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet tot cassatie kan leiden.
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2020.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHARL:2019:9108 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2748 Gerechtshof Amsterdam, 8 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2148 Gerechtshof Den Haag, 1 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:3806 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1811 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1812 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1813 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag, 19 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:670 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:674 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2026:234 Hoge Raad, 13 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3688 Gerechtshof Amsterdam, 9 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:5582 Rechtbank Midden-Nederland, 29 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6545 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2011 Gerechtshof Den Haag, 16 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6236 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1383 Gerechtshof Den Haag, 31 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1198 Gerechtshof Den Haag, 2 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:2189 Rechtbank Noord-Nederland, 6 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:158 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6914 Rechtbank Gelderland, 19 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1069 Parket bij de Hoge Raad, 24 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2948 Gerechtshof Amsterdam, 21 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1012 Parket bij de Hoge Raad, 10 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2132 Gerechtshof Den Haag, 11 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:8233 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:7710 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:5903 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1069 Gerechtshof Den Haag, 7 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1055 Gerechtshof Den Haag, 17 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1235 Gerechtshof Den Haag, 17 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1238 Gerechtshof Den Haag, 17 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3701 Gerechtshof Amsterdam, 20 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:10099 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:9263 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1692 Gerechtshof Den Haag, 24 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1699 Gerechtshof Den Haag, 24 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:6858 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3338 Rechtbank Midden-Nederland, 26 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:5907 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:5515 Rechtbank Rotterdam, 6 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2885 Rechtbank Gelderland, 8 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4640 Rechtbank Noord-Holland, 24 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:3826 Rechtbank Rotterdam, 19 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:3927 Rechtbank Rotterdam, 19 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2022:1983 Rechtbank Oost-Brabant, 18 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:3324 Rechtbank Rotterdam, 6 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:3325 Rechtbank Rotterdam, 6 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:3222 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:496 Gerechtshof Den Haag, 8 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:419 Rechtbank Midden-Nederland, 21 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2021:6682 Rechtbank Oost-Brabant, 24 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:10192 Rechtbank Rotterdam, 15 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:5157 Rechtbank Rotterdam, 8 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:2256 Rechtbank Midden-Nederland, 27 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1257 Gerechtshof Amsterdam, 4 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:2907 Rechtbank Rotterdam, 19 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:1668 Rechtbank Rotterdam, 26 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:1669 Rechtbank Rotterdam, 26 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:162 Rechtbank Midden-Nederland, 21 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:241 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 januari 2021 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.