Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 8 oktober 2019
ECLI:NL:HR:2019:1544Zaaknummer 17/05109
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2019
- Publicatiedatum
- 8 oktober 2019
- Zaaknummer
- 17/05109
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zaken, Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr) en opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte inkomstenbelasting (art. 69 AWR) door als afdelingshoofd van ziekenhuis betalingen van farmaceutische bedrijven op Luxemburgse bankrekeningen te storten zonder deze op te geven aan belastingdienst en geld vervolgens naar Nederland te vervoeren. 1. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM dan wel bewijsuitsluiting ex art. art. 359a Sv op de grond dat opvragen van debet- en creditcardmutaties van verdachte door belastingdienst op onrechtmatige wijze is uitgevoerd. 2. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM, nu door handelen van belastingdienst inbreuk is gemaakt op privacy van verdachte. 3. Verzoek tot verrichten van onderzoekshandelingen. 4. Gewoontewitwassen. Kan per witwashandeling bewezen worden verklaard dat witwasvoorwerp deels uit misdrijf afkomstig is? Kunnen bewezenverklaarde witwashandelingen worden beschouwd als combinatie van handelingen die erop waren gericht verdachtes vermogen aan zicht van autoriteiten te onttrekken? 5. Strafmotivering. Hoogte benadelingsbedrag. Door verdediging naar voren gebrachte omstandigheden betrokken bij strafoplegging? Bestanddeel “deels” opgenomen in bewezenverklaring zonder omvang daarvan vast te stellen. Strafmaatverweer m.b.t. media-uitingen van OM t.a.v. verdachte. HR: art. 81.1 RO.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/05109
Datum 8 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 september 2017, nummer 23/004924-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben W. de Vries en V.S. Huygen van Dyck-Jagersma, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman W. de Vries heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2017:3948 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
- ECLI:NL:PHR:2019:1012 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2019:1012 Parket bij de Hoge Raad, 27 augustus 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:3948 Gerechtshof Amsterdam, 28 september 2017 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.