Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 2 juni 2017
ECLI:NL:HR:2017:965Zaaknummer 16/03967
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 2 juni 2017
- Publicatiedatum
- 2 juni 2017
- Zaaknummer
- 16/03967
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
‘No cure no pay’ staat niet in de weg aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam wordt een griffierecht geheven van € 503.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 16/03967
2 juni 2017
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 juli 2016, nr. BK-15/01084, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 14/1175) betreffende de ten aanzien van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [Q] voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat] te [Q]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 9 februari 2017 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:81).
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hiervoor genoemde beschikking en aanslag is op 27 februari 2013 door de heffingsambtenaar ontvangen. Op 27 december 2013 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
De Rechtbank heeft op 6 februari 2014 het beroepschrift ontvangen. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 21 oktober 2015.
Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden en op grond daarvan een vergoeding van immateriële schade toegekend.
Aan de toekenning van vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade doet volgens het Hof niet af dat namens belanghebbende een gemachtigde optreedt op basis van ‘no cure no pay’.
Tegen de hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 weergegeven oordelen richt zich het middel.
Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof heeft nagelaten vast te stellen dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, miskent het dat voor de toekenning van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn, het ontstaan van spanning en frustratie door dat tijdsverloop – behoudens bijzondere omstandigheden – wordt verondersteld (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140).
Voor zover het middel klaagt over ’s Hofs in 2.2.2 weergegeven oordeel, faalt het eveneens. Aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn staat niet in de weg dat aan de belanghebbende bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’ (vgl. HR 7 oktober 2011, nr. 10/05199, ECLI:NL:HR:2011:BT6841, BNB 2011/281). Evenmin staat daaraan in de weg dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (vgl. HR 16 november 2012, nr. 11/02517, ECLI:NL:HR:2012:BY2770, BNB 2013/41).
De overige in het middel vervatte klachten kunnen ook niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam wordt een griffierecht geheven van € 503.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 8:73 Awb
- Artikel 81 RO meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2017:81 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2165 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2289 Gerechtshof Den Haag, 30 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2047 Gerechtshof Den Haag, 13 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2870 Gerechtshof Den Haag, 17 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2919 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2920 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2864 Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2867 Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2366 Gerechtshof Den Haag, 12 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2236 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2237 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2423 Gerechtshof Amsterdam, 2 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2774 Gerechtshof Amsterdam, 2 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2142 Gerechtshof Den Haag, 26 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1038 Gerechtshof Amsterdam, 3 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1030 Gerechtshof Amsterdam, 1 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1102 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1105 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:494 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:495 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:496 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:497 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:79 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:81 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:82 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2677 Gerechtshof Den Haag, 13 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2195 Gerechtshof Den Haag, 24 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1958 Gerechtshof Den Haag, 22 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6432 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6433 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2981 Gerechtshof Amsterdam, 10 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1383 Gerechtshof Den Haag, 31 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1262 Gerechtshof Den Haag, 10 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2517 Gerechtshof Amsterdam, 4 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1198 Gerechtshof Den Haag, 2 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:999 Gerechtshof Den Haag, 18 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1524 Gerechtshof Amsterdam, 4 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:775 Hoge Raad, 31 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:3358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:3359 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2855 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2168 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2169 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2172 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2173 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:409 Gerechtshof Den Haag, 19 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:1504 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:1505 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:303 Gerechtshof Amsterdam, 16 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3466 Gerechtshof Amsterdam, 19 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:8797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13498 Rechtbank Noord-Holland, 7 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:6897 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:6898 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1909 Gerechtshof Den Haag, 14 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:9802 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2829 Gerechtshof Den Haag, 10 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2830 Gerechtshof Den Haag, 10 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:1846 Rechtbank Rotterdam, 6 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:1938 Rechtbank Rotterdam, 6 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:2036 Rechtbank Rotterdam, 6 maart 2020 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.