Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 30 juni 2017
ECLI:NL:HR:2017:1174Zaaknummer 16/05127
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 30 juni 2017
- Publicatiedatum
- 30 juni 2017
- Zaaknummer
- 16/05127
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Artikel 229, lid 1, letter b, Gemeentewet. Verordening leges omgevingsvergunning 2013 gemeente Rotterdam. Vast bedrag aan leges per bouwkostenklasse (zogenaamd zaagtandtarief) niet onverbindend.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraken van de Rechtbank,
verklaart de beroepen bij de Rechtbank ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
30 juni 2017
nr. 16/05127
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam te Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 september 2016, nrs. BK-15/01025 en 15/01026, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar alsmede het incidentele hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 14/1911 en ROT 14/1912) betreffende de ten aanzien van belanghebbende geheven leges. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 23 maart 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:248).
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van de middelen
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft in juli 2013 twee omgevingsvergunningen aangevraagd voor woningbouwprojecten in [Q]. Als geschatte bouwkosten heeft zij opgegeven € 1.375.000 respectievelijk € 1.875.000. Van belanghebbende is voor het in behandeling nemen van deze aanvragen tweemaal € 100.335 aan leges geheven.
De leges zijn geheven op basis van de tarieventabel (hierna: de tabel) die behoort bij de Verordening leges omgevingsvergunning 2013 (hierna: de Verordening). In de tabel zijn vaste legesbedragen vastgesteld voor een bepaalde bandbreedte aan bouwkosten (tariefklasse), waarbij de legesbedragen hoger worden indien een hogere tariefklasse van toepassing is.
Voor het Hof was de verbindendheid van de tabel in geschil.
Het Hof heeft geoordeeld dat toepassing van de tabel ertoe leidt dat een overschrijding van een tariefklasse met € 0,01 leidt tot een stijging van de verschuldigde leges die, zowel in absolute als in relatieve zin, willekeurig en onredelijk is. Daardoor is van enige samenhang tussen de hoogte van de bouwsom en de hoogte van de leges geen sprake.
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het in de tabel opgenomen tariefsysteem leidt tot een willekeurige en onredelijke legesheffing die de wetgever bij het toekennen aan de gemeenten van de bevoegdheid tot het heffen van leges op de voet van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b, van de Gemeentewet niet op het oog kan hebben gehad, zodat aan de tabel verbindende kracht moet worden ontzegd.
Tegen de in 2.2 vermelde oordelen richt zich het beroep in cassatie met twee middelen.
Het tweede middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat sprake is van een willekeurige en onredelijke legesheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.
Bij de behandeling van het middel wordt vooropgesteld dat de wetgever aan gemeenten de bevoegdheid heeft gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing (zie de onderdelen 4.11 tot en met 4.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Voor de heffing van leges mogen de gemeenten daarom het tarief afhankelijk maken van de bouwsom, maar ook een andere wijze van bepaling van het tarief is toegestaan. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel (vgl. HR 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943, BNB 2009/276).
Gelet op de hiervoor in 2.3.2 vermelde vooropstellingen staat het gemeenten vrij om voor leges tariefklassen te hanteren die gerelateerd zijn aan de hoogte van de bouwsom (vgl. HR 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149). Een dergelijke bepaling van het tarief is niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel.
De verschillen in belasting die in het onderhavige geval in de tabel worden gemaakt tussen de verschillende tariefklassen, zijn ook niet zodanig dat daardoor een inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel of op enig ander rechtsbeginsel.
Het middel slaagt. Daaruit volgt dat het eerste middel geen behandeling behoeft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen omdat niet in geschil is dat de heffingen zijn opgelegd in overeenstemming met de Verordening en de tabel.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraken van de Rechtbank,
verklaart de beroepen bij de Rechtbank ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2017:248 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2592 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2050 Gerechtshof Amsterdam, 13 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1197 Parket bij de Hoge Raad, 22 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6668 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2303 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6288 Rechtbank Noord-Holland, 28 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:9519 Rechtbank Rotterdam, 2 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1043 Gerechtshof Den Haag, 14 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:4256 Rechtbank Rotterdam, 2 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1373 Gerechtshof Amsterdam, 26 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2915 Gerechtshof Amsterdam, 7 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:6380 Rechtbank Rotterdam, 5 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:627 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1086 Rechtbank Noord-Holland, 27 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1087 Rechtbank Noord-Holland, 27 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1088 Rechtbank Noord-Holland, 27 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:1142 Parket bij de Hoge Raad, 30 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:1143 Parket bij de Hoge Raad, 30 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:3285 Rechtbank Rotterdam, 10 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2020:2678 Rechtbank Oost-Brabant, 24 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2020:829 Rechtbank Oost-Brabant, 14 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:158 Gerechtshof Amsterdam, 16 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6941 Rechtbank Oost-Brabant, 3 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6735 Rechtbank Oost-Brabant, 22 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6699 Rechtbank Oost-Brabant, 20 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2019:4296 Rechtbank Oost-Brabant, 19 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:638 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4979 Gerechtshof Amsterdam, 18 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4978 Gerechtshof Amsterdam, 29 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4754 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4541 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4327 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4235 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4911 Gerechtshof Amsterdam, 9 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1771 Gerechtshof Den Haag, 10 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:2602 Gerechtshof Amsterdam, 5 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2018:1805 Rechtbank Oost-Brabant, 17 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1505 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1137 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:3227 Hoge Raad, 22 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:3077 Hoge Raad, 8 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:3035 Hoge Raad, 1 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3508 Gerechtshof Den Haag, 21 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3172 Gerechtshof Den Haag, 24 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:4434 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:4435 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:248 Parket bij de Hoge Raad, 23 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2592 Gerechtshof Den Haag, 7 september 2016 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.