Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 14 augustus 2009
ECLI:NL:HR:2009:BI1943Zaaknummer 43120
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2009
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 43120
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 219, lid 2, 229 en 229b Gemeentewet. Bouwleges. Heffingsmaatstaf. Geen willekeurige of onredelijke uitkomst.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2009.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
nr. 43.120
14 augustus 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Nijkerk (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 februari 2006, nr. 03/01678, betreffende van X te Z (hierna: belanghebbende) geheven leges.
1. Het geding in feitelijke instantie
Van belanghebbende is bij schriftelijke kennisgeving, gedagtekend 7 juni 2001, onder meer ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning een bedrag aan leges geheven. Het bedrag aan leges is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het afdelingshoofd Financieel en Personeel Beheer van de gemeente Nijkerk (hierna: de heffingsambtenaar) gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de geheven leges verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 9 april 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en vernietiging van de uitspraak van het Hof.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het bouwen van een fabriek. De bouwsom bedroeg ƒ 14.000.000.
3.1.2. De Legesverordening 2001 van de gemeente Nijkerk (hierna: de Legesverordening) bepaalt, voor zover van belang:
Artikel 2 Belastbaar feit
Onder de naam 'leges' worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
Artikel 5 Tarieven
1 De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2 Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
3.1.3. De tarieventabel behorende bij de Legesverordening (hierna: de Tarieventabel) bepaalt, voor zover van belang:
Bouwkosten
5.1 Onder bouwkosten wordt in dit hoofdstuk verstaan de aannemingsom (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.
Bouwvergunningen
5.2 Het tarief bedraagt terzake van het in behandeling nemen van:
(...)
5.2.3 een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning
5.2.3.1 indien de bouwkosten niet meer bedragen dan ƒ 2500 ƒ 100,00
5.2.3.2 bovendien voor elk bedrag van ƒ 500,00 of gedeelte daarvan van ƒ 500,00 waarmede de bouwkosten onder 5.2.3.1 genoemd worden overschreden ƒ 7,00
3.1.4. Van belanghebbende is ter zake van het in behandeling nemen van de in 3.1.1 genoemde aanvraag onder meer een bedrag aan bouwvergunningsleges geheven van ƒ 196.095.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de tariefstelling in de Legesverordening verbindend is. Het Hof heeft geoordeeld dat sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, zodat het in onderdeel 5.2.3.2 van de Tarieventabel opgenomen deel van het tarief ter zake van de onderhavige aanvraag verbindende kracht mist. Het middel is tegen dit oordeel gericht.
3.3. Zoals ook tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt, kunnen gemeenten op grond van artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591,
nr. 3, blz. 65-67 en blz. 77-78). Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel.
3.4.1. Het Hof heeft met juistheid vooropgesteld
(i) dat het bij de toetsing aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet niet gaat om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de Legesverordening opgenomen diensten, en
(ii) dat, gegeven de vrijheid die de wetgever aan de gemeentebesturen heeft willen toekennen bij het kiezen van heffingsmaatstaven en het bepalen van de aan die maatstaven gekoppelde tarieven, een geraamde winst van 2,21 percent op de leges welke voor bouwvergunningen worden geheven, op zichzelf bezien geoorloofd is.
3.4.2. De onder 3.4.1 vermelde vooropstellingen brengen mee dat onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten niet in strijd zijn met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel. Een motivering voor die verschillen is, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet vereist.
3.5.1. Tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is geen rechtstreeks verband vereist (HR 24 december 1997, nr. 32569, LJN AA3345, BNB 1998/70).
3.5.2. Het tarief onder 5.2.3.2 van de Tarieventabel voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning wordt berekend naar een vast, bescheiden percentage (1,4 percent) van de bouwkosten. Het hanteren van een dergelijk vast percentage van de bouwkosten kan niet worden gekenschetst als onredelijk of willekeurig. Ook overigens bieden de gedingstukken geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de geheven bouwvergunningsleges van circa ƒ 196.000 bij een bouwsom van ƒ 14.000.000 in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel.
3.6. Ook indien de verschillen in dekkingspercentages enerzijds en de hoogte van de geheven leges anderzijds tezamen en in hun onderlinge verband worden bezien, gelijk het Hof in onderdeel 4.10 van zijn uitspraak heeft gedaan, is er geen grond om onderdeel 5.2.3.2 van de Tarieventabel onverbindend te verklaren wegens strijd met enig algemeen rechtsbeginsel.
3.7. Onderdeel I van het middel is derhalve gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2009.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2009:BI1943 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHARN:2006:AV8597 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1022 Gerechtshof Den Haag, 4 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:513 Parket bij de Hoge Raad, 10 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:1883 Rechtbank Rotterdam, 28 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:114 Gerechtshof Den Haag, 31 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1197 Parket bij de Hoge Raad, 22 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6668 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2303 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6288 Rechtbank Noord-Holland, 28 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:485 Parket bij de Hoge Raad, 12 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:2351 Rechtbank Noord-Holland, 10 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:156 Gerechtshof Amsterdam, 17 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:9830 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:5789 Rechtbank Noord-Holland, 28 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1043 Gerechtshof Den Haag, 14 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1373 Gerechtshof Amsterdam, 26 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:297 Gerechtshof Amsterdam, 3 februari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:11527 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2144 Gerechtshof Den Haag, 1 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3221 Gerechtshof Amsterdam, 26 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2915 Gerechtshof Amsterdam, 7 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9869 Rechtbank Noord-Holland, 17 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1773 Rechtbank Midden-Nederland, 21 april 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4051 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2021:752 Rechtbank Overijssel, 18 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1086 Rechtbank Noord-Holland, 27 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1087 Rechtbank Noord-Holland, 27 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1088 Rechtbank Noord-Holland, 27 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:1142 Parket bij de Hoge Raad, 30 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:1143 Parket bij de Hoge Raad, 30 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:2784 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:861 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2019:1480 Rechtbank Midden-Nederland, 1 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:581 Gerechtshof Den Haag, 19 maart 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:872 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:638 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:84 Gerechtshof Amsterdam, 22 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4928 Gerechtshof Amsterdam, 20 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:9978 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4754 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4541 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4327 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4235 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3297 Gerechtshof Amsterdam, 14 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:6308 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1771 Gerechtshof Den Haag, 10 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:2602 Gerechtshof Amsterdam, 5 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3901 Gerechtshof Den Haag, 5 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1137 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:488 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2017:6315 Rechtbank Oost-Brabant, 5 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3508 Gerechtshof Den Haag, 21 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3172 Gerechtshof Den Haag, 24 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4150 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2017:9435 Rechtbank Limburg, 28 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:1174 Hoge Raad, 30 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1756 Gerechtshof Den Haag, 14 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1641 Gerechtshof Den Haag, 31 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1642 Gerechtshof Den Haag, 31 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:248 Parket bij de Hoge Raad, 23 maart 2017 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.