Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 15 april 2016
ECLI:NL:HR:2016:633Zaaknummer 15/02829
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 15 april 2016
- Publicatiedatum
- 15 april 2016
- Zaaknummer
- 15/02829
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 35c, lid 3, SW (tekst 2009). Vastgoedconcern met zeer omvangrijke en diverse onroerendgoedportefeuille verricht werkzaamheden die normaal vermogensbeheer te boven gaan en behaalt daarmee een hoger dan normaal rendement: bedrijfsopvolgingsfaciliteit van toepassing.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 497.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
15 april 2016
nr. 15/02829
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 mei 2015, nr. 13/01073, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 12/6469) betreffende een aanslag in het recht van schenking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
[A] en [B], in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, zijn de ouders van belanghebbende (hierna: de ouders). De ouders zijn de houders van de certificaten van alle aandelen in [K] Holding B.V. (hierna: de Holding). Het geplaatste kapitaal van de Holding bestaat uit 50 aandelen. De Holding staat aan het hoofd van een vastgoedconcern (hierna: het concern).
Volgens de geconsolideerde balans van de Holding per 31 december 2009 bedraagt de boekwaarde van de onroerende zaken € 145.100.000. De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken wordt door de directie op € 271.000.000 geschat.
De Holding is voorts voor 50 percent aandeelhouder in [II] B.V. (hierna: [II] ). Volgens de geconsolideerde balans van [II] per 31 december 2009 bedraagt de boekwaarde van haar onroerende zaken € 349.970.939. De waarde in het economische verkeer van de onroerende goederen wordt door de directie op € 435.000.000 geschat. Bij [II] zijn zestien personen in dienst. Binnen [II] vinden onder meer activiteiten op het terrein van projectontwikkeling plaats.
De tot het concern behorende vennootschappen hebben samen 350 onroerende zaken op 143 locaties met bijna 900 huurcontracten.
De ouders hebben op 31 december 2009 aan belanghebbende een schenking gedaan van een honderdste deel van een certificaat als bedoeld in 2.1.1. In de aangifte voor het recht van schenking is een beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit als bedoeld in hoofdstuk IIIA van de Successiewet (tekst 2009; hierna: SW).
Bij het vaststellen van de aanslag is de waarde van het concern door de Inspecteur gesteld op € 178.811.000. De waarde van de schenking is berekend op € 178.811.000 gedeeld door 50 certificaten, maal een honderdste is € 35.762. Bij het vaststellen van de aanslag is de Inspecteur ervan uitgegaan dat 90 percent van het vermogen van de Holding bestaat uit beleggingsvermogen.
Het geschil voor het Hof spitste zich toe op de vraag in hoeverre er sprake is van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35b, lid 3, SW. Tussen partijen was niet in geschil dat aan de activiteitentoets van artikel 35b, lid 2, SW wordt voldaan en evenmin was in geschil dat de bezittingen en schulden van de deelnemingen van de Holding als bezittingen en schulden van de Holding moeten worden beschouwd op grond van artikel 7a, lid 2, Uitvoeringsregeling Successiewet 1956.
Het Hof heeft vooropgesteld dat het bij het begrip ondernemingsvermogen in artikel 35b, lid 3, SW gaat om vermogen dat behoort bij een onderneming in materiële zin, waarvan sprake is bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk productieproces met het oogmerk om winst te behalen. Bij exploitatie van onroerende zaken geldt in dat verband dat de in dit kader te verrichten of verrichte arbeid naar aard en omvang meer moet hebben omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, met als doel het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat, aldus het Hof. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het jaarlijks door het concern behaalde rendement van ten minste ongeveer 20 percent, het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat en dat de binnen het concern in het kader van de exploitatie van onroerende zaken te verrichten of verrichte arbeid naar aard en omvang meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Daarbij gaat het niet alleen om door eigen werknemers verrichte arbeid maar moet ook rekening worden gehouden met uitbestede werkzaamheden waarbij toezicht werd gehouden, en met de externe deskundigen die op projectbasis werden ingehuurd voor advisering, aldus het Hof.
Het middel dat opkomt tegen het onder 2.2.2 weergegeven oordeel, faalt.
Het Hof is uitgegaan van een juiste vooropstelling omtrent het begrip ondernemingsvermogen in artikel 35b, lid 3, SW. ’s Hofs oordeel dat het concern gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden met zijn gehele vermogen een materiële onderneming drijft, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel van het Hof is ook voldoende gemotiveerd.
3 Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 497.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHARL:2015:3505 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9141 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9142 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2458 Gerechtshof Den Haag, 24 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1284 Gerechtshof Amsterdam, 11 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:391 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:523 Parket bij de Hoge Raad, 30 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4085 Gerechtshof Amsterdam, 9 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3158 Rechtbank Noord-Nederland, 22 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3160 Rechtbank Noord-Nederland, 22 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3162 Rechtbank Noord-Nederland, 22 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6063 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:408 Parket bij de Hoge Raad, 19 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:1205 Parket bij de Hoge Raad, 23 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9081 Rechtbank Noord-Holland, 9 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6036 Rechtbank Noord-Holland, 7 augustus 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:3247 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:3248 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:3249 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1168 Gerechtshof Amsterdam, 12 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:736 Gerechtshof Amsterdam, 14 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:5114 Rechtbank Noord-Nederland, 5 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:5115 Rechtbank Noord-Nederland, 5 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:10149 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:10150 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:3779 Rechtbank Noord-Nederland, 29 augustus 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2019:5869 Rechtbank Noord-Holland, 10 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2799 Rechtbank Gelderland, 28 juni 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:5556 Rechtbank Gelderland, 19 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:5135 Rechtbank Gelderland, 30 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3695 Rechtbank Gelderland, 27 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3696 Rechtbank Gelderland, 27 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:5635 Rechtbank Noord-Holland, 26 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:3122 Rechtbank Noord-Holland, 13 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:794 Gerechtshof Den Haag, 3 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:7894 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:8177 Rechtbank Noord-Holland, 7 oktober 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2016:3373 Rechtbank Noord-Nederland, 12 juli 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:3505 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 mei 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.