Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 2 december 2016
ECLI:NL:HR:2016:2712Zaaknummer 16/01713
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 2 december 2016
- Publicatiedatum
- 2 december 2016
- Zaaknummer
- 16/01713
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 8:41, lid 6, Awb; Ambtshalve te verrichten onderzoek naar mogelijke gronden voor verschoonbaarheid van het niet (tijdig) betalen van griffierecht? Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bij niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank?
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
2 december 2016
nr. 16/01713
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 23 februari 2016, nr. AWB 15/2802, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de middelen
Het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen de daartoe gestelde termijn. Belanghebbende heeft zowel in het beroepschrift als in het verzetschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Middel I houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat, aangezien belanghebbende in haar beroepschrift en haar verzetschrift geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht, er geen reden is aan te nemen dat het niet betalen van het griffierecht om die reden verschoonbaar is. In zoverre heeft de Rechtbank het hiervoor in 2.2.1 bedoelde onderzoek verricht en berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak op verzet en faalt het daarom.
Voor zover het middel wil betogen dat de Rechtbank ambtshalve had dienen te onderzoeken of er mogelijk nog andere redenen zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest, faalt het eveneens. Aangezien uit de uitspraak van de Rechtbank of de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende iets heeft aangevoerd dat een dergelijk oordeel zou kunnen dragen, was de Rechtbank niet gehouden een (nader) onderzoek in te stellen.
Middel II betoogt dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist.
Dat is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende - geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.
In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, faalt middel II eveneens.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2026:915 Hoge Raad, 12 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:239 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:241 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2025:209 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 16 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3548 Gerechtshof Amsterdam, 14 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6011 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6012 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1833 Gerechtshof Den Haag, 24 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7899 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2778 Gerechtshof Amsterdam, 1 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2023:5416 Rechtbank Oost-Brabant, 20 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3022 Gerechtshof Amsterdam, 19 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:7184 Rechtbank Rotterdam, 31 juli 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2023:2263 Rechtbank Oost-Brabant, 19 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2023:2267 Rechtbank Oost-Brabant, 19 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2023:149 Centrale Raad van Beroep, 24 januari 2023 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:354 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4499 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1773 Gerechtshof Den Haag, 1 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1774 Gerechtshof Den Haag, 1 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2022:261 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 18 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1826 Gerechtshof Amsterdam, 23 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:948 Gerechtshof Den Haag, 25 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:11082 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:10461 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3520 Gerechtshof Amsterdam, 19 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6895 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1038 Gerechtshof Den Haag, 25 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1919 Gerechtshof Amsterdam, 2 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1920 Gerechtshof Amsterdam, 2 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1412 Gerechtshof Amsterdam, 31 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:4994 Rechtbank Gelderland, 6 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:1516 Hoge Raad, 4 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:5010 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6527 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:3813 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:3013 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2017:6080 Rechtbank Oost-Brabant, 17 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:2867 Hoge Raad, 16 december 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:2869 Hoge Raad, 16 december 2016 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.