Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 16 september 2016
ECLI:NL:HR:2016:2084Zaaknummer 15/04476
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 16 september 2016
- Publicatiedatum
- 16 september 2016
- Zaaknummer
- 15/04476
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Artikel 220a en 220f Gemeentewet. Recreatiewoningen in bungalowpark dienen tot woning
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
vernietigt de aan [X1] B.V. opgelegde aanslag in de gebruikersbelasting,
vermindert de aan [X2] Holding B.V. opgelegde aanslag in de eigenarenbelasting tot € 559,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo aan belanghebbenden vergoedt het door dezen ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Ermelo aan belanghebbenden vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 656,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 1488 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Ermelo in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 1240 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 246 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
16 september 2016
nr. 15/04476
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X1] B.V. en [X2] Holding B.V. te [Z] (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 20 augustus 2015, nr. AWB 14/5362; nr. AWB 14/5367, betreffende aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Ermelo voor het jaar 2014 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 4 juli 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van de middelen
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
[X2] Holding B.V. is eigenaar en [X1] B.V. is gebruiker van de onroerende zaak, een bungalowpark bestaande uit 52 recreatiewoningen van verschillende typen. De grond onder het bungalowpark en negen daarop gelegen recreatiewoningen zijn eigendom van [X2] Holding B.V. Het bungalowpark wordt geëxploiteerd door [X1] B.V.
Van de 52 recreatiewoningen worden er negen verhuurd door [X1] B.V. De overige recreatiewoningen zijn door particulieren gebouwd op door [X1] B.V. aan hen verhuurde kavels grond. Ten behoeve van de gebruikers van de op deze kavels gebouwde recreatiewoningen zijn geen zakelijke rechten gevestigd.
De recreatiewoningen beschikken over een woonkamer, haard, terras, slaapkamers, douche en toilet. De recreatiewoningen zijn bestemd voor recreatief gebruik; permanente bewoning is niet toegestaan.
Het bungalowpark is ingevolge artikel 16, letter e, van de Wet WOZ als één onroerende zaak aangemerkt. De vastgestelde WOZ-waarde van € 397.000 is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat meer dan 70 percent van de waarde is toe te rekenen aan de recreatiewoningen.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat een onroerende zaak zowel voor de gebruikersheffing als voor de eigenarenheffing slechts (in hoofdzaak) tot woning dient als deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. Permanente bewoning van de recreatiewoningen is op grond van de gemeentelijke voorschriften niet toegestaan. De recreatiewoningen zijn daarom niet bestemd voor permanente bewoning, zodat deze niet als woning in voormelde zin kunnen worden aangemerkt, aldus de Rechtbank. Tegen dit oordeel richt zich het primaire middel.
Recreatiewoningen als de onderhavige zijn blijkens de in onderdeel 2.1.2 vermelde faciliteiten en voorzieningen bestemd om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. De recreatiewoningen zijn aldus op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Zij zijn daarom aan te merken als woning. De omstandigheid dat permanente bewoning ingevolge gemeentelijke voorschriften niet is toegestaan, brengt geen wijziging in de aard en de inrichting, en daarmee de bestemming van de woning (vgl. HR 2 maart 1994, nr. 29642, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609, BNB 1994/115).
Het vorenstaande vindt ook bevestiging in de parlementaire toelichting bij de invoering van tariefdifferentiatie in artikel 220f van de Gemeentewet. Daarin is vermeld dat recreatiewoningen vallen onder het begrip woning in die bepaling (Kamerstukken II 1996/97, 25037, nr. 3, blz. 20, aangehaald in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). De mogelijkheid van permanente bewoning is daarbij niet als eis gesteld.
Voor zover de Rechtbank haar oordeel mede heeft doen steunen op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2013, nr. 11/05565, ECLI:NL:HR:2013:1125, BNB 2014/52, verliest zij daarbij uit het oog dat het in dat geval ging om een verpleeghuis, waarbij - als geheel beschouwd - de functie van verzorging en verpleging vooropstaat. Niettemin kunnen gedeelten van een dergelijk verpleeghuis voor mensen die daarin duurzaam verblijven in hoofdzaak dezelfde functie hebben als de vergelijkbare gedeelten van een woning, zo is in voormeld arrest overwogen. Dat brengt echter niet mee dat opstallen als de onderhavige recreatiewoningen, die als geheel naar aard en inrichting bestemd en geschikt zijn om te worden gebruikt als woning, die hoedanigheid verliezen als zij niet voor permanente bewoning worden gebruikt.
Gelet op hetgeen onder 2.3 is overwogen slaagt het primaire middel. Het subsidiaire middel behoeft derhalve geen behandeling. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
Omdat buiten geschil is dat meer dan 70 percent van de waarde van het bungalowpark is toe te rekenen aan de recreatiewoningen, dient het bungalowpark ingevolge artikel 220a, lid 2, van de Wet WOZ in hoofdzaak tot woning. Derhalve dient de aan [X1] B.V. opgelegde aanslag in de gebruikersbelasting te vervallen en moet de aan [X2] Holding B.V. opgelegde aanslag in de eigenarenbelasting worden verminderd naar het woningentarief in plaats van het niet-woningentarief. Die aanslag moet daarom worden vastgesteld op 0,1041 percent van € 397.000 = € 559.
3 Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
vernietigt de aan [X1] B.V. opgelegde aanslag in de gebruikersbelasting,
vermindert de aan [X2] Holding B.V. opgelegde aanslag in de eigenarenbelasting tot € 559,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo aan belanghebbenden vergoedt het door dezen ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Ermelo aan belanghebbenden vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 656,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 1488 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Ermelo in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 1240 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 246 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 220f Gemw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 220a WOZ
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2016:745 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:RBGEL:2015:5308 http://psi.rechtspraak.nl/sprongcassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNHO:2026:10170 Rechtbank Noord-Holland, 30 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2675 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6425 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4296 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:248 Gerechtshof Den Haag, 31 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2132 Gerechtshof Den Haag, 11 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3430 Gerechtshof Amsterdam, 6 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:770 Hoge Raad, 27 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2021:6677 Rechtbank Oost-Brabant, 16 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:1079 Parket bij de Hoge Raad, 18 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:36 Gerechtshof Den Haag, 6 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:10618 Rechtbank Noord-Holland, 25 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:8093 Rechtbank Rotterdam, 16 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:5591 Rechtbank Gelderland, 3 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2019:2178 Rechtbank Oost-Brabant, 16 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:381 Gerechtshof Den Haag, 26 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3818 Gerechtshof Amsterdam, 23 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:7238 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:5379 Rechtbank Rotterdam, 6 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1523 Gerechtshof Amsterdam, 3 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:3 Hoge Raad, 5 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:10143 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:1328 Hoge Raad, 14 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2502 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:2853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1419 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:496 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9542 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9543 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9329 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:745 Parket bij de Hoge Raad, 4 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2015:5308 Rechtbank Gelderland, 20 augustus 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.