Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 9 oktober 2015
ECLI:NL:HR:2015:3011Zaaknummer 15/02543
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2015
- Publicatiedatum
- 9 oktober 2015
- Zaaknummer
- 15/02543
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie, Prejudiciële beslissing
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Personen- en familierecht. Kinderalimentatie; kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop in aanmerking nemen bij behoefte of bij draagkracht?
De Hoge Raad:
beantwoordt de gestelde prejudiciële vragen als volgt:
1. Bij de vaststelling van de door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen dienen het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.
2. Er dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 9 oktober 2015.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
9 oktober 2015
Eerste Kamer
15/02543
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Prejudiciële beslissing
in de zaak van:
[de man] ,wonende te [woonplaats],
VERZOEKER in hoger beroep,
niet verschenen in de prejudiciële procedure,
t e g e n
[de vrouw] ,wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in hoger beroep,
advocaat in de prejudiciële procedure: mr. M.A.J.G. Janssen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/09/461341/FA RK 14-1585 van de rechtbank Den Haag van 30 september 2014;
b. de beschikking in de zaak 200.161.523/01 van het gerechtshof Den Haag van 3 juni 2015.
De beschikking van het hof is aan deze beslissing gehecht.
2 De prejudiciële procedure
Bij laatstgenoemde beschikking heeft het hof op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:
“1. Moet bij de bepaling van de ingevolge artikel 1:397 BW jo 1:404 BW door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen rekening worden gehouden met het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, door dit: i) in mindering te brengen op de behoefte van de kinderen; dan wel ii) in aanmerking te nemen bij het vaststellen van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt?
2. Bij vraag 1 is geen onderscheid gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget. Indien dat onderscheid wel moet worden gemaakt, op welke wijze moet dan ter bepaling van de verschuldigde onderhoudsbijdrage rekening worden gehouden met de alleenstaande ouderkop en op welke wijze met het overige deel van het kindgebonden budget?”
De vrouw heeft schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend. De vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS) heeft schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 2 Rv ingediend.
De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal A. Hammerstein strekt ertoe dat de vragen als volgt worden beantwoord:
“1. Bij de bepaling van de ingevolge artikel 1:397 BW jo 1:404 BW door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen moet rekening worden gehouden met het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, door dit in aanmerking te nemen bij het vaststellen van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.
2. Er dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget nu beide toeslagen dezelfde aard en strekking hebben.”
3 Beantwoording van de prejudiciële vragen
Het gaat in deze procedure om vaststelling van de door de man te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk tussen hem en de vrouw.
Op 1 januari 2015 is de Wet Hervorming Kindregelingen (WHK, Wet van 25 juni 2014, Stb. 2014, 227) in werking getreden. Bij deze wet zijn de regelingen met betrekking tot de bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen herzien. In dat kader is de zogenoemde alleenstaande ouderkop geïntroduceerd als onderdeel van het kindgebonden budget (zie hierna in 3.3.2).
In hoger beroep is in verband met deze herziening de vraag gerezen of bij de vaststelling van kinderalimentatie voor de periode vanaf 1 januari 2015 de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de behoefte van de kinderen, dan wel bij de draagkracht van de verzorgende ouder. Het hof heeft berekend dat, afhankelijk van de zojuist vermelde keuze, de door de man met ingang van 1 januari 2015 te betalen kinderalimentatie uitkomt op € 23,--, respectievelijk € 134,-- per maand. In de eerste berekening wordt het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop in zijn geheel in aanmerking genomen, en wel bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen; in de tweede berekening wordt de alleenstaande ouderkop in aanmerking genomen bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw, die de verzorgende ouder is.
De wetgever heeft in de loop der jaren diverse, ten dele inkomensafhankelijke, regelingen getroffen om ouders tegemoet te komen in de financiële lasten verbonden aan de verzorging en opvoeding van kinderen. Tot die regelingen behoort sinds 1 januari 2008 het kindgebonden budget. Het betreft een langs fiscale weg uitgekeerde, inkomensafhankelijke toeslag, die in de plaats is gekomen van de voordien geldende kinderkorting. Alleenstaande, één of meer kinderen verzorgende, ouders konden tot 1 januari 2015 aanspraak maken op aanvullende inkomensondersteuning in de vorm van een alleenstaande oudertoeslag in het kader van een bijstandsuitkering en een alleenstaande ouderkorting in zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001.
De alleenstaande ouderkop vervangt de hiervoor in 3.3.1 genoemde alleenstaande oudertoeslag en alleenstaande ouderkorting. Blijkens een brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer van 22 april 2015 (Kamerstukken II 2014-2015, 33 716, nr. 32, p. 3) is met deze tegemoetkoming beoogd twee doelen na te streven: aanvullende inkomensondersteuning van de alleenstaande ouder, overeenkomend met de doelstelling van de oude regelingen, en, als onderdeel van het kindgebonden budget, een tegemoetkoming in de kosten van kinderen.
De Expertgroep Alimentatienormen (destijds genaamd: Werkgroep Alimentatienormen; zie de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 2.2) heeft in de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2013 aanbevolen om het kindgebonden budget in het kader van de berekening van kinderalimentatie in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Met ingang van laatstgenoemde datum heeft de Expertgroep aanbevolen om het kindgebonden budget in mindering te brengen op de behoefte van het kind. Deze aanbeveling is eind 2014 gehandhaafd. De Expertgroep baseerde deze aanbeveling, aldus de toelichting, op antwoorden van de minister bij de behandeling van het wetsvoorstel WHK in de Eerste Kamer (Handelingen I, 2013-2014, 33 716, nr. 33, item 15, p. 10).
De aanbeveling van de Expertgroep kan ertoe leiden dat de, voor de berekening van de alimentatie vast te stellen, behoefte van het kind sterk vermindert, met als gevolg een dienovereenkomstige verlaging van de door de niet-verzorgende ouder te betalen alimentatie (Kamerstukken II 2014-2015, 33 716, nr. 32, p. 5). Om die reden is de aanbeveling niet door alle gerechten gevolgd.
Uit recente uitlatingen van de minister, weergegeven in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 2.6-2.9, valt op te maken dat de wetgever bij de invoering van de WHK geen keuze heeft willen maken met betrekking tot de wijze waarop het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop bij de berekening van kinderalimentatie in aanmerking dient te worden genomen.
Ingevolge art. 1:404 lid 1 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Deze kosten vormen de behoefte van het kind. De verplichting van de ouders daarin te voorzien bestaat ongeacht de behoeftigheid van het kind (art. 1:392 lid 2 BW), dus ook indien het zelf in zijn behoefte zou kunnen voorzien.
De hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 vermelde overheidsregelingen om ouders tegemoet te komen in de financiële lasten verbonden aan de verzorging en opvoeding van kinderen, verminderen de behoefte van het kind niet. Deze wordt immers gevormd door wat het kind nodig heeft. Het bestaan van de bedoelde regelingen laat voorts onverlet dat het aan de ouders is om in de behoefte van hun kind te voorzien. De overheidsondersteuning is dan ook daarop gericht: met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop is beoogd de verzorgende ouder, respectievelijk de verzorgende alleenstaande ouder, inkomensondersteuning te bieden om in de behoefte van zijn kind of kinderen te voorzien (zie hiervoor in 3.3.2). Deze tegemoetkomingen verhogen dan ook de draagkracht van die ouder.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Nu de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget dezelfde aard en strekking hebben, bestaat er geen grond om de gestelde vraag voor deze beide onderdelen van het kindgebonden budget verschillend te beantwoorden.
Gelet op de aard van de procedure zal de Hoge Raad geen kosten begroten.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
beantwoordt de gestelde prejudiciële vragen als volgt:
1. Bij de vaststelling van de door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen dienen het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.
2. Er dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 9 oktober 2015.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2015:1711 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHDHA:2015:1288 http://psi.rechtspraak.nl/prejudicieleVraag
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6292 Rechtbank Overijssel, 19 oktober 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2134 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 juli 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2409 Gerechtshof Amsterdam, 23 augustus 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:914 Gerechtshof Amsterdam, 29 maart 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:146 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 januari 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2925 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 september 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1965 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 juni 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1109 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 april 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:442 Parket bij de Hoge Raad, 9 april 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1057 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 april 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3491 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 november 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3015 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 oktober 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2261 Gerechtshof Amsterdam, 11 augustus 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:763 Gerechtshof Den Haag, 25 maart 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:851 Gerechtshof Amsterdam, 17 maart 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:186 Gerechtshof Amsterdam, 21 januari 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3749 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 oktober 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3622 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 oktober 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3625 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 oktober 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3033 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 augustus 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2323 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 juni 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1529 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 april 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2019:2605 Rechtbank Limburg, 21 maart 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:923 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 maart 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:327 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 januari 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2018:2381 Hoge Raad, 21 december 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4843 Gerechtshof Amsterdam, 18 december 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4442 Gerechtshof Amsterdam, 4 december 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1405 Parket bij de Hoge Raad, 2 november 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2273 Gerechtshof Den Haag, 5 september 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2827 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 juli 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:5640 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juni 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2018:38 Parket bij de Hoge Raad, 5 januari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3711 Gerechtshof Den Haag, 29 november 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2890 Gerechtshof Den Haag, 27 september 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2882 Gerechtshof Den Haag, 20 september 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3852 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 september 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3618 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 augustus 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:CRVB:2017:2496 Centrale Raad van Beroep, 11 juli 2017 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:1273 Hoge Raad, 7 juli 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:5294 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juni 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:487 Parket bij de Hoge Raad, 9 juni 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:4859 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 juni 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:4894 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 juni 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2306 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 juni 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:4264 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 mei 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:3574 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 april 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:1257 Gerechtshof Amsterdam, 11 april 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:948 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 maart 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:721 Gerechtshof Amsterdam, 7 maart 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2017:360 Hoge Raad, 3 maart 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:657 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 februari 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:412 Gerechtshof Den Haag, 22 februari 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:1388 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 februari 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:245 Gerechtshof Den Haag, 25 januari 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:5621 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 december 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:1260 Parket bij de Hoge Raad, 9 december 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9332 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 november 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9206 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2016:6226 Rechtbank Midden-Nederland, 7 november 2016 (personen- en familierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.