Uitspraak · Insolventierecht
Hoge Raad, 10 oktober 2014
ECLI:NL:HR:2014:2935Zaaknummer 14/01512
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 10 oktober 2014
- Publicatiedatum
- 13 oktober 2014
- Zaaknummer
- 14/01512
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Insolventierecht
- Procedure
- Prejudiciële beslissing
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). WSNP. Mogelijkheid verlenging na einde schuldsaneringstermijn. Art. 349a lid 2 en 3 Fw. Lopen schuldsaneringsverplichtingen door in de periode gelegen tussen afloop schuldsaneringstermijn art. 349a lid 1 Fw en onherroepelijke beslissing omtrent verlenging?
4 Beslissing
De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen aldus:
1. De beslissing om op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen, kan worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de schuldsaneringsregeling afloopt.
2. De verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, gelden niet in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 oktober 2014.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
10 oktober 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01512
LZ
Prejudiciële beslissing
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER in eerste aanleg,
niet verschenen.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer 10/598 R van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 november 2010 en van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2014;
b. de arresten in de zaak HV 200.140.979/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2014 en 20 maart 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 De prejudiciële procedure
Bij laatstgenoemd arrest heeft het hof bepaald dat aan de Hoge Raad op de voet van art. 392 Rv de in het dictum van dat arrest omschreven vragen worden gesteld.
[verzoekster] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen te maken.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt ertoe, dat de Hoge Raad de door het hof opgeworpen vragen zal beantwoorden, zoals in de conclusie onder 5 is omschreven.
3 Beantwoording van de prejudiciële vragen
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) Bij vonnis van 19 november 2010 is ten aanzien van [verzoekster] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
(ii) Op grond van art. 349a lid 1 Fw is de looptijd van de ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken toepassing van de schuldsaneringsregeling op 19 november 2013 geëindigd.
De bewindvoerder heeft op 15 november 2013 een voordracht gedaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van de ‘schone lei’.
De rechter-commissaris heeft zich op 28 november 2013 verenigd met de voordracht van de bewindvoerder, maar heeft daarbij aangetekend dat de mogelijkheid van verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling moest worden onderzocht.
De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Naar het oordeel van de rechtbank is [verzoekster] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van enkele uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, te weten de verplichting om te solliciteren en de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan.
De rechtbank heeft afgezien van een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, omdat [verzoekster] ter zitting uitdrukkelijk heeft laten blijken van mening te zijn dat haar ter zake van de tekortkomingen geen enkele blaam treft en omdat zij de mogelijkheid om de tekortkomingen te herstellen of te compenseren van de hand heeft gewezen. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat aan [verzoekster] herhaaldelijk is voorgehouden op welke wijze zij aan haar verplichtingen dient te voldoen.
In het door [verzoekster] ingestelde hoger beroep heeft het hof overwogen dat [verzoekster] weliswaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting om te solliciteren, maar dat de bewindvoerder [verzoekster] tussentijds niet of onvoldoende heeft gewaarschuwd naar aanleiding van deze tekortkomingen (rov. 3.7.2-3.7.4). De nieuw ontstane schuld achtte het hof niet verwijtbaar (rov. 3.7.5).
Hoewel een schone lei (nog) niet aan de orde is, brengen de omstandigheden mee dat [verzoekster] in beginsel de gelegenheid dient te worden geboden alsnog de gewenste inspanning te leveren in het kader van een verlenging, die zij – anders dan in eerste aanleg – in hoger beroep subsidiair ook heeft verzocht (rov. 3.7.6).
Vervolgens heeft het hof de vraag onder ogen gezien of het wettelijk systeem een verlenging toestaat, nu de looptijd van de ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken toepassing van de schuldsaneringsregeling al op 19 november 2013 is geëindigd, dat wil zeggen vóór de zitting van de rechtbank waarop de beëindiging van de schuldsaneringsregeling en de toekenning van de schone lei aan de orde waren (rov. 3.7.7-3.7.8).
Het hof heeft op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:
1. Is op de voet van art. 349a Fw verlenging mogelijk indien de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling reeds is beëindigd?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: wat betekent dat voor de verplichtingen van de schuldenaar na afloop van de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn, maar voorafgaand aan de definitieve rechterlijke beslissing over de gevraagde verlenging?
Bij de beantwoording van deze vragen wordt het volgende vooropgesteld.
Op grond van art. 349a lid 1 Fw bedraagt de termijn van de schuldsaneringsregeling drie jaar, maar kan de rechter in afwijking daarvan de termijn op ten hoogste vijf jaar stellen.
Art. 349a lid 2 Fw kent de rechter-commissaris de bevoegdheid toe om ambtshalve, dan wel op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers, de termijn te wijzigen, en deze op ten hoogste vijf jaar te stellen.
Op grond van art. 349a lid 3 Fw is de rechtbank, onder dezelfde voorwaarden als de rechter-commissaris, bevoegd om in het kader van art. 350 of 352 Fw ambtshalve, dan wel op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers, de termijn te wijzigen.
Uit de wetsgeschiedenis, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3-3.5, volgt dat de wetgever met de in art. 349a lid 2 en 3 Fw voorziene mogelijkheid van verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling met name heeft beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na ommekomst van de reguliere termijn nog geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting is gerechtvaardigd dat dit na een (korte) verlenging van die termijn wel mogelijk zal zijn. In dergelijke gevallen kan verlenging van de termijn ertoe dienen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te herstellen.
In het licht van de hiervoor in 3.4.3 vermelde bedoeling van de wetgever verdient aanbeveling dat de rechter die de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengt, zich in zijn beslissing niet ertoe beperkt de duur van die verlenging te bepalen, maar ook preciseert welke in het algemeen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende de termijn van de verlenging voor de desbetreffende schuldenaar gelden.
In antwoord op de eerste prejudiciële vraag overweegt de Hoge Raad als volgt.
In de eerste plaats is van belang dat de tekst van art. 349a lid 2 en 3 Fw niet uitsluit dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling wordt genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt.
In de tweede plaats pleit de hiervoor in 3.4.3 vermelde bedoeling van de wetgever ervoor om aan te nemen dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt. Het is immers niet uitgesloten dat het late tijdstip waarop de rechter in staat is die beslissing te nemen, het gevolg is van omstandigheden waarop de schuldenaar – bij uitstek degene in wiens belang de mogelijkheid van verlenging in de wet is opgenomen – geen invloed kan uitoefenen.
In de derde plaats volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw weliswaar van rechtswege tot gevolg heeft dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt – de schuldsanering eindigt, maar dat dit aflopen niet meebrengt dat de schuldsaneringsregeling ook overigens is geëindigd, aangezien beëindiging daarvan dient te geschieden met inachtneming van de art. 352-356 Fw (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226; HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5760; HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0890, NJ 2012/636; HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1411, NJ 2013/305). Hiermee strookt om aan te nemen dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt, maar de schuldsaneringsregeling nog niet met inachtneming van de art. 352-356 Fw is beëindigd.
Bij hetgeen hiervoor in 3.5.2-3.5.4 is overwogen, wordt aangetekend dat het aanbeveling verdient dat de procedure die kan leiden tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling zo tijdig wordt aangevangen dat de beslissing hieromtrent binnen de termijn van art. 349a lid 1 Fw kan worden genomen.
Hetgeen hiervoor in 3.5.2-3.5.4 is overwogen, brengt mee dat de eerste prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat de beslissing om op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen, kan worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de schuldsaneringsregeling afloopt.
In antwoord op de tweede prejudiciële vraag overweegt de Hoge Raad als volgt.
Uit de hiervoor in 3.5.4 vermelde rechtspraak volgt dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt – de schuldsanering eindigt. Dat geldt ook indien na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt, op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw nog moet worden beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. De in de tweede afdeling van titel III Fw voorziene gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling worden opnieuw van toepassing vanaf het moment waarop de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling onherroepelijk is geworden.
Het vorenstaande brengt mee dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
Opmerking verdient dat de rechter in zijn oordeelsvorming ten behoeve van zijn beslissing omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling niet enkel dient te betrekken hetgeen zich heeft voorgedaan gedurende de termijn van art. 349a lid 1 Fw. De rechter is gehouden om in dit verband acht te slaan op alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de gedragingen van de schuldenaar in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop wordt beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. De hiervoor in 3.6.2 vermelde omstandigheid dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat de schuldsanering eindigt voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw, staat daaraan niet in de weg.
Hetgeen hiervoor in 3.6.2-3.6.3 is overwogen, brengt mee dat de tweede prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen aldus:
1. De beslissing om op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen, kan worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de schuldsaneringsregeling afloopt.
2. De verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, gelden niet in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 oktober 2014.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2014:1764 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHSHE:2014:1473 http://psi.rechtspraak.nl/prejudicieleVraag
- ECLI:NL:GHSHE:2014:1474 http://psi.rechtspraak.nl/prejudicieleVraag
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2081 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 juli 2025 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:9028 Rechtbank Rotterdam, 16 juli 2025 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:237 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 januari 2025 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1244 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 april 2024 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3464 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 oktober 2023 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2408 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 juli 2023 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4456 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 december 2022 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2505 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 juli 2022 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2509 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 juli 2022 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1225 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 april 2022 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3815 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 december 2021 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3816 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 december 2021 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2272 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 juli 2021 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 juni 2021 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1320 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29 april 2021 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3914 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 december 2020 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2225 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 juli 2020 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2231 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 juli 2020 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1466 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 april 2020 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:155 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 januari 2020 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3305 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 september 2019 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2776 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 juli 2019 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 juli 2019 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2446 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 juli 2019 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2094 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 juni 2019 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1101 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 maart 2019 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1102 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 maart 2019 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4314 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 oktober 2018 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2255 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 mei 2018 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1809 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 april 2018 (insolventierecht)
- ECLI:NL:HR:2018:316 Hoge Raad, 9 maart 2018 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:174 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 januari 2018 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:6043 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 december 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4959 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 november 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4560 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 oktober 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3866 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 september 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3105 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 juli 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:HR:2017:1203 Hoge Raad, 30 juni 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2991 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29 juni 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1863 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 april 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:HR:2017:572 Hoge Raad, 31 maart 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:970 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 maart 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:869 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 maart 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:467 Gerechtshof Den Haag, 28 februari 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:477 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 februari 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2455 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 juni 2016 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2210 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 juni 2016 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:1277 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 maart 2016 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:177 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 januari 2016 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:94 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 januari 2016 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:2403 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 juni 2015 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:2244 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 juni 2015 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:2253 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 juni 2015 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:2143 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 juni 2015 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:1978 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 mei 2015 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:1536 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 april 2015 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:1380 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 april 2015 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:769 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 maart 2015 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:797 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 februari 2015 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:385 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 februari 2015 (insolventierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.