Uitspraak · Personen- en familierecht
Hoge Raad, 5 september 2014
ECLI:NL:HR:2014:2632Zaaknummer 13/06407
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 5 september 2014
- Publicatiedatum
- 5 september 2014
- Zaaknummer
- 13/06407
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Familierecht. Ondertoezichtstelling minderjarigen. Verzoek moeder om benoeming deskundige. Maatstaf voor weigering, art. 810a lid 2 Rv.
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 oktober 2013;
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 5 september 2014.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
5 september 2014
Eerste Kamer
nr. 13/06407
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
De RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de Raad voor de Kinderbescherming.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/01/263039/JE RK 13/802MZ01 van de kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 18 juli 2013;
b. de beschikking in de zaak HV 200.130.557/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 oktober 2013.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
3 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De moeder en [de vader] (hierna: de vader) hebben twee dochters. De oudste dochter is geboren in 2002 en de jongste in 2006. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over de oudste dochter. De moeder heeft het eenhoofdig gezag over de jongste dochter. Beide dochters wonen bij de moeder.
(ii) Op 26 september 2012 heeft een geweldsincident plaatsgevonden, waarbij de vader de moeder in het bijzijn van de dochters heeft aangevallen met een zwaard, althans een daarop gelijkend voorwerp. De moeder heeft daarna elk contact met de vader verbroken. Ook de dochters hebben sindsdien geen contact meer met de vader gehad.
(iii) De ouders hebben over en weer wijziging van het ouderlijk gezag verzocht. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op verzoek van de rechtbank een onderzoek ingesteld met betrekking tot het gezag en de mogelijkheden voor een omgangsregeling, en op 14 mei 2013 een rapport uitgebracht.
In de onderhavige procedure heeft de Raad voor de Kinderbescherming op basis van het hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde rapport een verzoek tot ondertoezichtstelling van de dochters ingediend. De kinderrechter heeft de dochters voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld.
Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd. Het verzoek van de moeder om op de voet van art. 810a lid 2 Rv een deskundige te benoemen, is afgewezen.
Omtrent de ondertoezichtstelling heeft het hof, samengevat, als volgt overwogen. Het geweldsincident is een zeer ernstig voorval, maar als gevolg van dit incident mag niet als vanzelfsprekend ook ieder contact tussen de vader en de kinderen worden verbroken (rov. 3.7.2). Er is sprake van een ernstige bedreiging zoals bedoeld in art. 1:254 BW. De kinderen zijn getuige geweest van het geweldsincident. Het van de ene op de andere dag verdwijnen van de vader uit het leven van de kinderen, met als gevolg vervreemding van de vader, houdt zeker in de onderhavige situatie een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen in. (rov. 3.7.3) Niet te verwachten is dat de moeder zal zorgdragen voor de nodige behandeling dan wel begeleiding van de dochters (rov. 3.7.4).
Onderdeel 2.1 is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van de moeder om op de voet van art. 810a lid 2 Rv een deskundige te benoemen.
Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld.
Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993-1994, p. 4135-4161).
Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
Het oordeel van het hof over het verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv luidt als volgt (rov. 3.7.6):
"Het hof acht zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen: een nader onderzoek, zoals door de moeder verzocht, kan niet mede tot de beslissing van de zaak leiden. Anders dan de moeder ziet het hof in de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding tot een nader onderzoek."
De klachten van het onderdeel slagen.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen, respectievelijk dat de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding geven tot een nader onderzoek, heeft het miskend dat noch het een noch het ander de afwijzing van een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv rechtvaardigt.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat een nader onderzoek, zoals door de moeder verzocht, niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, is dit oordeel onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de moeder voor het hof heeft aangevoerd dat het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming de beslissing over de ondertoezichtstelling niet kan dragen, en daarbij rapporten van door haar geraadpleegde deskundigen heeft overgelegd waarin bevindingen uit het raadsrapport gemotiveerd in twijfel worden getrokken.
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 oktober 2013;
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 5 september 2014.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2014:580 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHSHE:2013:4473 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBLIM:2026:7456 Rechtbank Limburg, 2 juni 2026 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3661 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 december 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2624 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 september 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:865 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 maart 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:4130 Rechtbank Limburg, 27 maart 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1481 Gerechtshof Den Haag, 14 augustus 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2357 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 juli 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2358 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 juli 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1547 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 mei 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:796 Gerechtshof Den Haag, 1 mei 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:382 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 februari 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1970 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 juni 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:874 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 maart 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1734 Gerechtshof Den Haag, 7 september 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1539 Gerechtshof Den Haag, 17 augustus 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1830 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 juni 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:679 Gerechtshof Den Haag, 13 april 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:208 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 januari 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3385 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 november 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3116 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 oktober 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 oktober 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:128 Parket bij de Hoge Raad, 12 februari 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:27 Gerechtshof Den Haag, 13 januari 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:6243 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 augustus 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:4979 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 juni 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:936 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 maart 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:486 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 februari 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:487 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 februari 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3509 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 september 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3511 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 september 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2823 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 juli 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1859 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 mei 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2019:575 Hoge Raad, 12 april 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3895 Gerechtshof Amsterdam, 23 oktober 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2183 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 mei 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1960 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 mei 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:418 Parket bij de Hoge Raad, 20 april 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2018:488 Hoge Raad, 30 maart 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:886 Parket bij de Hoge Raad, 14 juli 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2016:4105 Rechtbank Oost-Brabant, 27 juli 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:240 Parket bij de Hoge Raad, 8 april 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2015:3564 Hoge Raad, 11 december 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2014:580 Parket bij de Hoge Raad, 6 juni 2014 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2013:4473 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 oktober 2013 (personen- en familierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.