Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 25 oktober 2013
ECLI:NL:HR:2013:969Zaaknummer 13/00734
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 25 oktober 2013
- Publicatiedatum
- 25 oktober 2013
- Zaaknummer
- 13/00734
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 6:2 en 4:17 Awb. Is sprake van het niet tijdig nemen van een besluit als het tijdig aan de belanghebbende is verzonden, maar niet aan zijn gemachtigde?
5 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
25 oktober 2013
nr. 13/00734
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 18 december 2012, nr. BK-11/00924, betreffende een beschikking op een verzoek om toekenning van een dwangsom.
1 Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur vernietigd. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De Inspecteur heeft het verzoek bij beschikking afgewezen.
Belanghebbende is wegens het uitblijven van een uitspraak op het door hem tegen de boete gemaakte bezwaar en de afwijzing van het verzoek om een dwangsom in beroep gekomen bij de Rechtbank te ’s-Gravenhage. De Rechtbank (nr. AWB 11/4532) heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar en ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de afwijzende beschikking van de Inspecteur inzake het verzoek om toekenning van een dwangsom.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3 Beoordeling van de klachten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Tegelijk met de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd (hierna: de boete).
De gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de boete.
Bij uitspraak op bezwaar van 29 januari 2001 is de Inspecteur volledig aan het bezwaar tegemoetgekomen door de boete te verminderen tot nihil. De uitspraak is naar belanghebbende gestuurd. Dit is gebeurd vóór het verstrijken van de wettelijke termijn waarbinnen de Inspecteur uitspraak op het bezwaar moest doen.
De uitspraak op bezwaar is in strijd met artikel 6:17 Awb niet naar de gemachtigde gestuurd.
Bij brief gedagtekend 18 februari 2011 heeft de gemachtigde de Inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet doen van uitspraak op bezwaar. Na ontvangst van deze ingebrekestelling heeft de Inspecteur de uitspraak op bezwaar niet binnen veertien dagen alsnog aan de gemachtigde toegestuurd. De gemachtigde heeft pas op 31 mei 2011 een kopie van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur ontvangen.
Belanghebbende heeft bij brief van 20 mei 2011 beroep bij de Rechtbank ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en daarbij verzocht om toekenning van een dwangsom.
Het Hof heeft evenals de Rechtbank beslist dat geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb, en dat het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk is. Het heeft daartoe overwogen dat de uitspraak op bezwaar als gevolg van de toezending aan belanghebbende bekend is gemaakt en in werking is getreden.
Daarvan uitgaande heeft het Hof verder geoordeeld dat het verzoek om toekenning van een dwangsom moet worden afgewezen.
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg.
Voor zover de klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 vermelde oordelen van het Hof heeft het volgende te gelden.
In de Awb is geregeld binnen welke termijn een bestuursorgaan dient te beslissen op een bezwaarschrift. Deze termijn en ook de andere termijnen waarbinnen een bestuursorgaan besluiten moet nemen, beschermen burgers tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid en verschaffen tevens rechtszekerheid, omdat burgers zo weten binnen welke termijn zij duidelijkheid krijgen over het standpunt van de overheid (vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 3, blz. 1).
Met betrekking tot de rechtsingang wegens het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag, is in de parlementaire toelichting het volgende opgemerkt:
“Het resultaat van dit stelsel voor de gevallen waarin een specifieke termijn ontbreekt is, dat de burger steeds na acht weken weet waar hij aan toe is. Hij moet dan immers of een beschikking op zijn aanvraag hebben gekregen, of een mededeling van het tijdstip waarop die te verwachten is. Heeft hij nog niets ontvangen, dan staat in ieder geval vast dat het bestuursorgaan in verzuim is.” (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 106).
Hieruit volgt dat de bepalingen over de termijnen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit dient te nemen, (mede) ertoe strekken te waarborgen dat belanghebbenden binnen de in het desbetreffende geval geldende termijn worden geïnformeerd over de besluitvorming, en bij voorkeur over de inhoud daarvan.
In het onderhavige geval is het desbetreffende besluit, de uitspraak op het bezwaar, binnen de daarvoor geldende termijn genomen en vervolgens aan belanghebbende gezonden. Aangezien belanghebbende het tegendeel niet heeft gesteld, moet worden aangenomen dat die uitspraak hem heeft bereikt (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112). Dit een en ander houdt in dat belanghebbende binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn kennis heeft genomen, althans kennis heeft kunnen nemen, van de beslissing van de Inspecteur om de boetebeschikking te vernietigen.
Onder de hiervoor in 3.3.4 omschreven omstandigheden is voldaan aan de strekking van de toepasselijke beslistermijn en heeft het Hof daarom terecht geoordeeld dat geen beroep openstond wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van belanghebbende, en dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. Anders dan in de klachten wordt aangevoerd doet daaraan niet af dat de uitspraak op bezwaar in strijd met het bepaalde in artikel 6:17 Awb niet is gezonden aan de gemachtigde, en daardoor niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:17 Awb strekt tot bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende; dat is van een andere orde dan de hiervoor in 3.3.3 omschreven strekking van de bepalingen inzake het tijdig beslissen, die ziet op zekerheid omtrent de inhoudelijke positie van de belanghebbende tegenover het bestuursorgaan. De klachten falen derhalve in zoverre.
Ook voor zover het de proceskostenvergoeding betreft kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHSGR:2012:5238 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBROT:2026:1685 Rechtbank Rotterdam, 12 februari 2026 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:12750 Rechtbank Rotterdam, 4 november 2025 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1373 Gerechtshof Den Haag, 26 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1374 Gerechtshof Den Haag, 26 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1375 Gerechtshof Den Haag, 26 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1376 Gerechtshof Den Haag, 26 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1377 Gerechtshof Den Haag, 26 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:958 Gerechtshof Amsterdam, 8 april 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:12676 Rechtbank Rotterdam, 18 december 2024 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:8126 Rechtbank Rotterdam, 30 augustus 2024 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1247 Gerechtshof Amsterdam, 21 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:1151 Rechtbank Rotterdam, 21 februari 2023 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:841 Rechtbank Rotterdam, 9 februari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:754 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 februari 2022 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4778 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 mei 2021 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2021:1292 Rechtbank Overijssel, 26 maart 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:11719 Rechtbank Den Haag, 9 november 2020 (omgevingsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:4498 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 juni 2020 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1236 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:731 Rechtbank Den Haag, 27 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2019:4002 Centrale Raad van Beroep, 10 december 2019 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:6112 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CBB:2019:179 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23 april 2019 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3508 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 april 2019 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:1192 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 februari 2019 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4633 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3136 Gerechtshof Amsterdam, 21 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:778 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:5175 Gerechtshof Amsterdam, 14 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:5254 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juni 2017 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2017:1739 Centrale Raad van Beroep, 9 mei 2017 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2017:1198 Centrale Raad van Beroep, 29 maart 2017 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:2073 Rechtbank Rotterdam, 20 maart 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2017:911 Centrale Raad van Beroep, 7 maart 2017 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:4381 Rechtbank Noord-Holland, 10 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2016:4813 Centrale Raad van Beroep, 13 december 2016 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:4072 Gerechtshof Amsterdam, 11 oktober 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RVS:2016:2098 Raad van State, 27 juli 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4926 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 juni 2016 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4928 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 juni 2016 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4974 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 juni 2016 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:2348 Rechtbank Noord-Holland, 22 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:5906 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 augustus 2015 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:RVS:2015:2080 Raad van State, 1 juli 2015 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2015:1296 Centrale Raad van Beroep, 15 april 2015 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:964 Gerechtshof Den Haag, 25 maart 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2015:1688 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 maart 2015 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2014:911 Raad van State, 19 maart 2014 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHSGR:2012:5238 Gerechtshof 's-Gravenhage, 18 december 2012 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.