Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 20 november 2012
ECLI:NL:HR:2012:BY0251Zaaknummer 11/02682 P
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 november 2012
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/02682 P
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Kenbaar maken door de OvJ van zijn voornemen de vordering ex art. 36e Sr aanhangig te maken, art. 311.1 Sv. HR herhaalt HR LJN AK3574 en HR LJN BN2297 m.b.t. de in het geding zijnde rechtszekerheid en de door de rechter bij gebreke van de aankondiging te maken afweging en de daaraan te verbinden consequenties. Het hof heeft i.c. geoordeeld dat aan het verzuim van de OvJ niet tijdig kenbaar te maken voornemens te zijn een ontnemingsvordering aanhangig te maken geen rechtsvervolg dient te worden verbonden, maar dat zal worden volstaan met de enkele constatering daarvan. Daargelaten dat het Hof het verzuim ten onrechte heeft aangemerkt als een verzuim ex art. 359a Sv, geeft ’s Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de omstandigheden waarop het Hof zijn kennelijke oordeel heeft gebaseerd dat het belang van de betrokkenen slechts in geringe mate is geschonden.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 20 november 2012.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
20 november 2012
Strafkamer
nr. S 11/02682 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 april 2011, nummer 21/003822-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2011 houdt in dat de raadsman van de betrokkene aldaar het volgende heeft aangevoerd:
"Ik blijf bij mijn bij brief van 22 februari 2011 aangevoerde standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat artikel 311 Sv is geschonden. Mijn cliënt heeft nadeel ondervonden als gevolg van de schending van art. 311 Sv omdat hij lange tijd er van is uitgegaan dat er geen ontnemingsvordering zou worden gedaan. Juist bij eenvoudige zaken dient het openbaar ministerie eerder niet-ontvankelijk te worden verklaard."
2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat artikel 311 Sv is geschonden nu de officier van justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir in de strafzaak kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens is om de onderhavige ontnemingvordering aanhangig te maken.
Het hof constateert dat in de strafzaak tegen verdachte door de officier van justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir kenbaar is gemaakt dat hij voornemens is een ontnemingvordering aanhangig te maken. Dit is een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het rechtsgevolg van deze schending blijkt niet uit de wet.
Daarom dient beoordeeld te worden of aan het verzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg daarvoor in aanmerking komt (vergelijk onder meer HR 11 januari 2011, LJN BN2297).
Het hof neemt voor dit oordeel de volgende door de advocaat-generaal aangevoerde omstandigheden in aanmerking:
- de officier van justitie heeft bij brieven van 29 september 2008 (drie maanden na de laatste zitting in de strafzaak) alsnog aan de verdachte en zijn raadsman laten weten dat hij voornemens is een ontnemingsvordering te doen;
- de verdachte heeft tegen het strafvonnis van de rechtbank hoger beroep aangetekend; het verzuim van de aankondiging kon derhalve niet de verwachting wekken dat de strafprocedure met het vonnis van eerste aanleg was beëindigd.
Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de ernst van het verzuim zodanig gering is dat zal worden volstaan met de enkele constatering ervan.
Het hof verwerpt derhalve het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie."
2.4. Artikel 311, eerste lid, Sv luidt als volgt:
"Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 is ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt."
2.5. Bij de onder omstandigheden bestaande verplichting tot het kenbaar maken van het indienen van een ontnemingvordering is met name de rechtszekerheid in het geding (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199 en HR 11 januari 2011, LJN BN2297, NJ 2012/297).
2.6. Ingeval een ontnemingsvordering wordt ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in het eerste lid van art. 311 Sv is aangekondigd, zal de rechter bij de beslissing op die vordering dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan dienen te beoordelen of dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in die vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199).
2.7. Het Hof heeft geoordeeld dat aan het verzuim van de Officier van Justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir kenbaar te maken dat hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhangig te maken, geen rechtsgevolg dient te worden verbonden, maar dat zal worden volstaan met de enkele constatering daarvan. Daargelaten dat het verzuim van de Officier van Justitie door het Hof ten onrechte is aangemerkt als een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de omstandigheden waarop het Hof zijn kennelijke oordeel heeft gebaseerd dat het belang van de betrokkene bij rechtszekerheid omtrent het voornemen van de Officier van Justitie een ontnemingsvordering aanhangig te maken, slechts in geringe mate is geschonden.
2.8. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 20 november 2012.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2012:BY0251 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2025:1191 Parket bij de Hoge Raad, 4 november 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:1116 Parket bij de Hoge Raad, 14 oktober 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2300 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 augustus 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3947 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:883 Parket bij de Hoge Raad, 3 september 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:7049 Rechtbank Gelderland, 20 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:7050 Rechtbank Gelderland, 20 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3739 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 november 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3826 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 november 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:826 Parket bij de Hoge Raad, 26 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1677 Gerechtshof Den Haag, 15 augustus 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:509 Parket bij de Hoge Raad, 16 mei 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:151 Parket bij de Hoge Raad, 7 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:486 Parket bij de Hoge Raad, 24 mei 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2021:1136 Hoge Raad, 13 juli 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2021:931 Hoge Raad, 15 juni 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:579 Parket bij de Hoge Raad, 8 juni 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:486 Parket bij de Hoge Raad, 18 mei 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2021:694 Hoge Raad, 11 mei 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:410 Parket bij de Hoge Raad, 20 april 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:245 Parket bij de Hoge Raad, 16 maart 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2020:1889 Hoge Raad, 1 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2020:1890 Hoge Raad, 1 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2020:2563 Rechtbank Overijssel, 30 juli 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2020:2564 Rechtbank Overijssel, 30 juli 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2020:2565 Rechtbank Overijssel, 30 juli 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2012:BY0251 Parket bij de Hoge Raad, 20 november 2012 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.