Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 23 september 2011
ECLI:NL:HR:2011:BT2293Zaaknummer 10/04238
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 september 2011
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/04238
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Besluit proceskosten bestuursrecht; wegingsfactor. Zelfstandige beoordeling van de wegingsfactor door de rechter; geen beoordeling aan de hand van stelplicht-, bewijs- of onderbouwingsregels. Beperkte toets in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2011.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
nr. 10/04238
23 september 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 augustus 2010, nr. P08/01308, betreffende een verzoek om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur vernietigd. Bij die uitspraak is tevens beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 08/3002) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover zij de beslissing inzake de vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten betreft en die vergoeding verhoogd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift tegen de onder 1 bedoelde aanslag verzocht om een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar.
3.1.2. De Inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard en een kostenvergoeding toegekend. Hij is bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding uitgegaan van de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb).
3.2.1. De Rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat de behandeling van een bezwaar in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), en dat het op de weg van de Inspecteur lag om afdoende te onderbouwen dat het gewicht van de zaak als zeer licht moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Rechtbank is de Inspecteur daarin niet geslaagd.
3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de door de Rechtbank geformuleerde regel geen steun vindt in het recht. Het Hof heeft in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak vooropgesteld dat iedere zaak op zichzelf moet worden beoordeeld naar aard, belang en ingewikkeldheid en omvang van de in het kader van de verleende rechtsbijstand te verrichten werkzaamheden. Deze factoren dienen tot uitdrukking te komen in de voor die zaak te bepalen wegingsfactor, aldus het Hof. Kennelijk op basis van deze uitgangspunten, en derhalve op grond van zijn eigen beoordeling van de zwaarte van de zaak, heeft het Hof vervolgens in onderdeel 4.3 van zijn uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur kon volstaan met een kostenvergoeding op basis van een wegingsfactor 0,25.
3.2.3. De klacht in cassatie houdt onder meer in dat de Rechtbank de juiste maatstaf heeft aangelegd en dat het Hof de Rechtbank ten onrechte niet heeft gevolgd.
3.3.1. Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.
3.3.2. Onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb onderscheidt voor de bepaling van het gewicht van een zaak vijf categorieën met een bijbehorende wegingsfactor, maar kent aan geen van die categorieën een bijzondere positie toe.
3.3.3. De toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763 vermeldt op blz. 8-9:
"Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het - al dan niet in geld uit te drukken - belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (...) Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde."
De toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113 vermeldt op blz. 6:
"Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener."
3.3.4. Uit het in 3.3.2 en 3.3.3 vermelde volgt dat de beoordelende instantie zelfstandig - op grond van een eigen waardering - dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Hiermee verdraagt zich niet de opvatting van de Rechtbank, die erop neerkomt dat het gewicht van een zaak wordt beoordeeld aan de hand van regels met betrekking tot stelplicht en bewijslast, en dat een zaak bij gebreke van voldoende onderbouwing door de partij die daarbij belang heeft, in de categorie gemiddeld wordt ingedeeld.
3.3.5. De klacht faalt derhalve.
3.3.6. Het in 3.3.4 overwogene behoeft overigens niet te verhinderen dat een beoordelende instantie in de regel tot de bevinding komt dat het gewicht van een zaak gemiddeld is. Voorts verdient opmerking dat de bepaling van het gewicht van de zaak door de feitenrechter, als verweven met waarderingen van feitelijk aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar is.
3.4. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2011.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4209 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag, 19 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2835 Gerechtshof Den Haag, 2 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2223 Gerechtshof Den Haag, 21 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2398 Gerechtshof Amsterdam, 2 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1838 Gerechtshof Den Haag, 12 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:862 Hoge Raad, 6 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1085 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1086 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:642 Gerechtshof Amsterdam, 11 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2683 Gerechtshof Den Haag, 10 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2263 Gerechtshof Den Haag, 26 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2029 Gerechtshof Den Haag, 22 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2916 Gerechtshof Amsterdam, 1 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6146 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:5765 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:5335 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2524 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2158 Gerechtshof Amsterdam, 1 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1368 Gerechtshof Den Haag, 24 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:963 Gerechtshof Den Haag, 5 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:3015 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:572 Hoge Raad, 12 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2170 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:67 Gerechtshof Den Haag, 9 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:4481 Rechtbank Midden-Nederland, 4 september 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1767 Gerechtshof Den Haag, 30 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1769 Gerechtshof Den Haag, 30 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1770 Gerechtshof Den Haag, 30 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1440 Gerechtshof Den Haag, 19 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:1056 Hoge Raad, 7 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1435 Gerechtshof Den Haag, 6 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:4899 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:290 Parket bij de Hoge Raad, 10 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2915 Gerechtshof Den Haag, 15 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3014 Gerechtshof Amsterdam, 6 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1908 Gerechtshof Den Haag, 27 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1011 Gerechtshof Den Haag, 9 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:509 Gerechtshof Den Haag, 17 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:11401 Rechtbank Noord-Holland, 13 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:10307 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2795 Gerechtshof Amsterdam, 14 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:7706 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 augustus 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3736 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:6167 Rechtbank Rotterdam, 1 juli 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1612 Gerechtshof Amsterdam, 31 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:4091 Rechtbank Rotterdam, 12 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4515 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8478 Rechtbank Noord-Holland, 21 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7929 Rechtbank Noord-Holland, 16 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7933 Rechtbank Noord-Holland, 16 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1243 Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1568 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 mei 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1411 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:865 Gerechtshof Den Haag, 22 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3196 Rechtbank Noord-Holland, 17 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:9446 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:4202 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2019:598 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 18 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2532 Gerechtshof Den Haag, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2456 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 juli 2019 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.