Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 28 oktober 2011
ECLI:NL:HR:2011:BR0664Zaaknummer 10/03727
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2011
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/03727
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Art. 5.2 en 5.3 Wet IB 2001. Prijs oudejaarsloterij behoort tot rendementsgrondslag box 3 aan het einde van het kalenderjaar. Geen schending art. 1 Eerste Protocol EVRM.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2011.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 10/03727
28 oktober 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 juli 2010, nr. 08/00596, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/5057) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een tweetal geschriften ingediend. Daartoe biedt de wet evenwel niet de mogelijkheid. De Hoge Raad slaat op die stukken daarom geen acht.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 14 juni 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft op 31 december 2004 met enkele loten deelgenomen aan de oudejaarsloterij van de Staatsloterij. De uitslag van de trekking is op 31 december 2004, tijdens een televisie-uitzending, bekendgemaakt om enkele minuten vóór 24.00 uur.
3.1.2. Op één van de loten van belanghebbende is de hoofdprijs van € 20.000.000 gevallen.
3.1.3. Het prijzengeld is op 4 januari 2005 op de bankrekening van belanghebbende bijgeschreven.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de prijs behoort tot de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar 2004.
3.3. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het heeft daartoe overwogen dat de loten waarop een prijs is gevallen, vanaf het moment van bekendmaking van de trekkingsuitslag op de televisie een waarde in het economische verkeer hebben die in beginsel gelijk is aan de waarde van de op het desbetreffende lot gevallen prijs, zodat de waarde van het lot waarop de hoofdprijs is gevallen op 31 december 2004 moet worden gewaardeerd op € 20.000.000. Daaraan doet niet af dat belanghebbende de prijs eerst op 4 januari 2005 heeft ontvangen en deze derhalve niet in het jaar 2004 rendabel heeft kunnen maken, aldus het Hof. Tegen dit oordeel richten zich de klachten.
3.4. De klachten falen op de gronden als vermeld in de onderdelen 7.14 tot en met 7.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Opmerking verdient dat de onderhavige heffing geen inbreuk vormt op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (vgl. HR 12 augustus 2011, nr. 10/02949, LJN BR4868, BNB 2011/248).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2011.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2011:BR0664 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3295 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2022:803 Gerechtshof Amsterdam, 15 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:804 Gerechtshof Amsterdam, 15 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9094 Rechtbank Noord-Holland, 30 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9098 Rechtbank Noord-Holland, 30 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1489 Gerechtshof Den Haag, 11 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3425 Gerechtshof Den Haag, 18 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:9674 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2746 Gerechtshof Den Haag, 9 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1998 Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3101 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2019:1434 Rechtbank Noord-Holland, 22 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4633 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3125 Gerechtshof Den Haag, 16 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3126 Gerechtshof Den Haag, 16 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2018:3434 Rechtbank Noord-Nederland, 29 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2589 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2590 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5396 Rechtbank Den Haag, 4 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:511 Hoge Raad, 6 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:146 Gerechtshof Amsterdam, 23 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:83 Gerechtshof Amsterdam, 16 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:5510 Gerechtshof Amsterdam, 12 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2017:4328 Rechtbank Noord-Nederland, 14 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3585 Gerechtshof Den Haag, 5 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1637 Gerechtshof Den Haag, 7 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1723 Gerechtshof Den Haag, 7 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:4924 Rechtbank Noord-Holland, 21 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:1661 Rechtbank Gelderland, 28 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:1662 Rechtbank Gelderland, 28 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:1614 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:442 Rechtbank Noord-Holland, 25 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2017:153 Rechtbank Noord-Nederland, 19 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:7491 Rechtbank Noord-Holland, 27 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:945 Gerechtshof Den Haag, 23 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:1476 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:41 Parket bij de Hoge Raad, 4 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:32 Gerechtshof Den Haag, 6 januari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:812 Hoge Raad, 3 april 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2011:BR0664 Parket bij de Hoge Raad, 28 oktober 2011 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3295 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 juli 2010 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.