Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 22 juni 2010
ECLI:NL:HR:2010:BM3628Zaaknummer 07/10489
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 22 juni 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 07/10489
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is ’s Hofs oordeel niet begrijpelijk. De enkele omstandigheid dat de raadsman zich heeft gesteld op de wijze als is vervat in een brief, inhoudende dat de raadsman zich stelt in de zaak die gepland staat op de datum van de tz. in h.b., brengt nog niet mee dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de tz. verdachte tevoren bekend was a.b.i. art. 408.1.c Sv.
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken op 22 juni 2010.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
22 juni 2010
Strafkamer
nr. 07/10489
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 juli 2007, nummer 22/000738-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, althans zijn beslissing dienaangaande onvoldoende heeft gemotiveerd.
2.2. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang.
(i) Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht, gedateerd 15 juni 2006 en gericht aan de Rechtbank te 's-Gravenhage en aldaar ingekomen op 16 juni 2006, inhoudende:
"Inz: [verdachte]/OM
Dos : 2060226
Uw ref : 09/624885-05
Geachte mevrouw, heer,
Hierbij stel ik mij als raadsman in bovengenoemde strafzaak (kanton) die gepland staat op 28 juni 2006 om 10:00 uur.
Een verzoek om een afschrift van het dossier heb ik inmiddels aan het parket gericht."
(ii) De aantekening mondeling vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 28 juni 2006 vermeldt dat de uitspraak bij verstek is gedaan.
2.3. Het Hof heeft omtrent de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep het volgende overwogen en beslist:
"In het dossier bevindt zich een brief van raadsman mr. J.G.M. Dassen d.d. 15 juni 2006, waaruit blijkt dat de verdachte zich tot hem had gewend met het verzoek hem bij te staan ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 juni 2006. Hieruit vloeit voort dat de verdachte tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte had derhalve volgens de wet hoger beroep dienen in te stellen binnen veertien dagen na de op 28 juni 2006 in eerste aanleg gegeven einduitspraak.
Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld op 3 oktober 2006, dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard."
2.4. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is het oordeel van het Hof niet begrijpelijk. De enkele omstandigheid dat de raadsman zich heeft gesteld op de wijze als is vervat in de hiervoor onder 2.2 sub (i) genoemde brief, brengt nog niet mee dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was als bedoeld in art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv.
2.5. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken op 22 juni 2010.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2010:BM3628 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2018:754 Hoge Raad, 22 mei 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:282 Parket bij de Hoge Raad, 27 maart 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:283 Parket bij de Hoge Raad, 27 maart 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2796 Gerechtshof Den Haag, 31 augustus 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:2455 Hoge Raad, 1 september 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2015:1394 Parket bij de Hoge Raad, 26 mei 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2010:BM3628 Parket bij de Hoge Raad, 22 juni 2010 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.