Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 9 oktober 2009
ECLI:NL:HR:2009:BJ0652Zaaknummer 08/00243
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2009
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/00243
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Verstek. Verzet tijdig ingesteld? Daad van bekendheid. Maatstaf. Veroordeelde waaraan het vonnis niet in persoon is betekend moet zelf een handeling hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens beschikte m.b.t. zijn veroordeling om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten.
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 23 augustus 2007;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Leeuwarden;
veroordeelt Mahuko in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 3.254,31,-- in totaal, waarvan € 3.179,31 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 75,00 aan [eiseres].
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 9 oktober 2009.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
9 oktober 2009
Eerste Kamer
08/00243
DV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
FINANCIERINGSMAATSCHAPPIJ MAHUKO N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Mahuko.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van 15 mei 1986 van de rechtbank Alkmaar is [eiseres], samen met haar echtgenoot [betrokkene 1], bij verstek hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 12.722,66, met rente en kosten, aan de rechtspersoon naar vreemd recht Citibank N.A., zijnde de rechtsvoorgangster van Mahuko.
[Eiseres] heeft bij exploot van 11 juli 2005 verzet gedaan tegen voormeld verstekvonnis en gevorderd, kort gezegd, haar te ontheffen van de veroordeling tegen haar uitgesproken door de rechtbank Alkmaar op 15 mei 1986 tussen de rechtsvoorganger van Mahuko als eiseres en [eiseres] als gedaagde. Daarnaast heeft [eiseres] gevorderd dat de eis van Mahuko alsnog wordt afgewezen.
Mahuko heeft de vordering bestreden.
Na mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij vonnis van 8 maart 2006 [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 23 augustus 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Mahuko is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging, met verdere afdoening als gebruikelijk.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of [eiseres] tijdig verzet heeft gedaan tegen haar veroordeling bij verstek in het hiervoor in 1 vermelde vonnis van 15 mei 1986. Het hof heeft deze vraag aan de hand van art. 143 Rv. ontkennend beantwoord. Op de grond vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 had het hof art. 81 (oud) Rv. behoren toe te passen, doch hierover wordt in cassatie niet geklaagd. Voor de beoordeling van de aan de orde zijnde vraag maakt het in dit geval ook geen verschil of de oude dan wel de nieuwe bepaling wordt toegepast.
3.2 Nu het vonnis niet aan [eiseres] in persoon was betekend, geldt als maatstaf (zowel in art. 81 oud als in art. 143) of de veroordeelde enige daad heeft gepleegd "waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is". Deze maatstaf houdt in dat de veroordeelde zelf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Het hof heeft deze maatstaf gehanteerd in zijn rov. 3.3 en 3.4.
3.3 De door het hof in rov. 3.5 tot en met 3.12 vermelde omstandigheden laten niet de conclusie tot dat [eiseres] een handeling als hiervoor in 3.2 bedoeld heeft verricht. Daartoe wordt het navolgende overwogen.
(i) Het feit dat [eiseres] een brief van 30 maart 2005 van deurwaarderskantoor [A] heeft ontvangen en daarop heeft gereageerd, levert geen daad van bekendheid op. [eiseres] heeft ontkend dat een kopie van het vonnis bij de brief was ingesloten en het hof heeft de juistheid van deze stelling in het midden gelaten.
(ii) In deze brief is weliswaar melding gemaakt van het vonnis en van de daarin mede jegens [eiseres] uitgesproken veroordeling, doch het enkele feit dat [eiseres] op deze brief heeft gereageerd levert geen daad van bekendheid op waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat zij voldoende bekend is met de inhoud van het vonnis. In tegenstelling tot wat het hof in rov. 3.6 heeft overwogen, blijkt uit de reactie van [eiseres] niet dat zij over voldoende gegevens beschikte om zich daadwerkelijk tegen het verstekvonnis te verzetten. De door het hof in rov. 3.1 vermelde inhoud van haar brief van 3 mei 2005 komt erop neer dat [eiseres] meende dat er geen gegevens voorhanden waren waaruit kon blijken dat zij aansprakelijk is voor de vordering.
(iii) Door het hof is in rov. 3.10 vastgesteld dat uit de brief van 30 maart 2005 niet viel op te maken dat de vordering van Citibank is overgegaan op de MNF Bank. Volgens het hof kan uit de contacten tussen [eiseres] en [A] op 8 april 2005, waarvan blijkt uit de brieven van 13 april 2005 en 3 mei 2005 waarin [eiseres] spreekt van "deze lening", worden afgeleid dat deze rechtsovergang geen onduidelijkheid schiep. Zondere nadere, ontbrekende, toelichting valt evenwel niet in te zien op grond waarvan noodzakelijkerwijs blijkt dat [eiseres] wist dat het om een lening van Citibank zou gaan, nu iedere verwijzing naar deze bank in de door het hof bedoelde stukken ontbreekt. In het bijzonder is niet begrijpelijk hoe uit de reactie van [eiseres] die, naar het hof heeft vastgesteld, juist uitdrukkelijk ontkende iets aan de MNF Bank verschuldigd te zijn, valt af te leiden dat zij begreep dat het oorspronkelijk om een lening van Citibank ging.
3.4 De hierop gerichte klachten van onderdeel II treffen doel. Onderdeel I faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 18. De overige klachten behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 23 augustus 2007;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Leeuwarden;
veroordeelt Mahuko in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 3.254,31,-- in totaal, waarvan € 3.179,31 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 75,00 aan [eiseres].
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 9 oktober 2009.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 143 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 243 Rv
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2009:BJ0652 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBLIM:2025:8844 Rechtbank Limburg, 10 september 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2117 Gerechtshof Amsterdam, 5 augustus 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2025:3252 Rechtbank Overijssel, 21 mei 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2625 Gerechtshof Amsterdam, 17 september 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:3382 Rechtbank Midden-Nederland, 29 mei 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2024:2080 Rechtbank Oost-Brabant, 1 mei 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:2119 Rechtbank Noord-Holland, 6 maart 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5866 Rechtbank Midden-Nederland, 1 november 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:370 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 21 augustus 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:6846 Rechtbank Rotterdam, 21 juli 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2148 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 juli 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2023:1739 Rechtbank Overijssel, 10 mei 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:7853 Rechtbank Rotterdam, 16 september 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8290 Rechtbank Den Haag, 13 juli 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:1433 Rechtbank Gelderland, 23 maart 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:601 Rechtbank Midden-Nederland, 9 februari 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:11487 Rechtbank Rotterdam, 17 september 2021 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:101 Rechtbank Rotterdam, 8 januari 2021 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2020:304 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 11 december 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2020:1086 Parket bij de Hoge Raad, 13 november 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3424 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 november 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:5811 Rechtbank Rotterdam, 10 juli 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3275 Rechtbank Noord-Holland, 29 april 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:3654 Rechtbank Rotterdam, 17 april 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4546 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 december 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:8019 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 oktober 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1740 Gerechtshof Amsterdam, 21 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:697 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 februari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:48 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 januari 2019 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7752 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 augustus 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1212 Gerechtshof Den Haag, 29 mei 2018 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:10952 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 december 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2016:9595 Rechtbank Rotterdam, 21 december 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:8363 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 oktober 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:3341 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 april 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:5149 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 december 2015 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2015:8710 Rechtbank Rotterdam, 11 november 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2014:5491 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 december 2014 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:PHR:2009:BJ0652 Parket bij de Hoge Raad, 9 oktober 2009 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.