Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 9 februari 2007
ECLI:NL:HR:2007:AW3876Zaaknummer 41264
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 februari 2007
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 41264
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Wet WOZ. Invloed van omzetbelasting op gecorrigeerde vervangingswaarde.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C.A. Streefkerk en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2007.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 41.264
9 februari 2007
HdJ
gewezen op het beroep in cassatie van de Staat der Nederlanden (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 augustus 2004, nr. BK-02/03818, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ).
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak b-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 306.750.000.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de directeur der Gemeentebelastingen van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: de Directeur) bij uitspraak de waarde nader vastgesteld op ƒ 256.800.000.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 9 maart 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak b-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaak).
(ii) Op de geldende waardepeildatum 1 januari 1995 was de onroerende zaak reeds meer dan twee jaar in gebruik.
(iii) Belanghebbende is niet ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB).
(iv) Bij de telkens vermelde uitgangspunten is de waarde van de onroerende zaak op de geldende waardepeildatum:
(a) waarde volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ (inclusief OB): ƒ 256.800.000;
(b) waarde volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ (exclusief OB): ƒ 219.750.000;
(c) waarde volgens artikel 17, lid 3, Wet WOZ (inclusief OB): ƒ 256.800.000;
(d) waarde volgens artikel 17, lid 3, Wet WOZ (exclusief OB): ƒ 219.750.000.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de waarde van de onroerende zaak ingevolge artikel 17 Wet WOZ dient te worden gesteld op ƒ 256.800.000 (standpunt van de Directeur) dan wel op ƒ 219.750.000 (standpunt van belanghebbende). Het Hof heeft de Directeur in het gelijk gesteld.
3.3. Onderdeel 5 van het beroepschrift in cassatie betoogt dat de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak moet worden bepaald zonder rekening te houden met de omzetbelasting die op belanghebbende - als niet-ondernemer - zou drukken indien hij zou overgaan tot vervanging. De tegenovergestelde opvatting zou namelijk leiden tot gevolgen die strijdig zijn met het stelsel van de Wet WOZ, te weten tot de gevolgen (1) dat ongelijkheid ontstaat in zoverre verschil zou bestaan in de gecorrigeerde vervangingswaarde van eenzelfde onroerende zaak, naar gelang de eigenaar daarvan al dan niet ondernemer is in de zin van de Wet OB; (2) dat rekening wordt gehouden met een persoonlijke omstandigheid van de eigenaar, te weten de aan- of afwezigheid van ondernemerschap in de zin van de Wet OB; en (3) dat verschil kan ontstaan tussen enerzijds de waarde in het economische verkeer (artikel 17, lid 2, Wet WOZ), anderzijds de gecorrigeerde vervangingswaarde (artikel 17, lid 3, Wet WOZ), ofschoon de onroerende zaak courant is en ook voor commerciële marktpartijen bruikbaar.
3.4. Dit betoog faalt, aangezien de geschetste gevolgen noodzakelijkerwijs voortvloeien uit artikel 17, lid 3, Wet WOZ. Dit artikellid bepaalt dat de waarde van een in dat artikellid nader omschreven onroerende zaak moet worden gesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde in alle gevallen waarin deze hoger is dan de waarde in het economische verkeer. Dit geldt dus ongeacht of die zaak courant dan wel incourant is, en ongeacht of die zaak al dan niet bruikbaar is voor commerciële doeleinden, zoals mede volgt uit de wetsgeschiedenis, weergegeven in de onderdelen 2.2-2.8 van de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal. Voorts komt bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde mede betekenis toe aan bepaalde omstandigheden die de (toevallige) eigenaar betreffen. Daaronder valt ook de omstandigheid dat op de eigenaar al dan niet de omzetbelasting drukt die hem in rekening wordt gebracht over de vervangingskosten. In zoverre heeft de wetgever in artikel 17, lid 3, Wet WOZ welbewust een subjectief element opgenomen, hetgeen tot gevolg heeft dat voor de aldaar bedoelde onroerende zaken de waarde heeft te gelden welke die zaken in economische zin voor de eigenaar zelf hebben (vgl. HR 8 juli 1992, nr. 27678, BNB 1992/298).
3.5. Voorts wordt in onderdeel 3.2 van het beroepschrift in cassatie geklaagd dat het Hof in het midden heeft gelaten welke waarderingsmethode het heeft toegepast. Die klacht is terecht voorgesteld. De klacht kan evenwel niet tot cassatie leiden. Ter bepaling van de waarde in het economische verkeer van een onroerende zaak die meer dan twee jaren in gebruik is, moet worden uitgegaan van de prijs die daarvoor zal worden besteed indien die onroerende zaak zonder heffing van omzetbelasting zal worden geleverd (vgl. HR 30 oktober 1991, nr. 26544, BNB 1992/3). In het licht daarvan brengen de hiervoor in 3.1 vermelde uitgangspunten mee dat de in artikel 17, lid 2, Wet WOZ bedoelde waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak moet worden gesteld op ƒ 219.750.000. Voorts brengen die uitgangspunten in het licht van het hiervoor in 3.4 overwogene mee dat de in artikel 17, lid 3, Wet WOZ bedoelde gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak moet worden gesteld op ƒ 256.800.000. Omdat de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak derhalve hoger is dan de waarde in het economische verkeer, moet de waarde van de onroerende zaak gelet op artikel 17, lid 3, Wet WOZ worden gesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde van de zaak, derhalve op ƒ 256.800.000.
3.6. 's Hofs beslissing is derhalve juist, wat er zij van de gronden die het daartoe heeft gebezigd. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C.A. Streefkerk en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2007.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2007:AW3876 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHSGR:2004:AR0669 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHARL:2026:5743 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5744 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:3806 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6545 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:812 Hoge Raad, 28 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1069 Parket bij de Hoge Raad, 24 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:979 Parket bij de Hoge Raad, 20 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:4091 Rechtbank Gelderland, 19 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1448 Gerechtshof Den Haag, 28 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1238 Gerechtshof Den Haag, 17 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:5515 Rechtbank Rotterdam, 6 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:3927 Rechtbank Rotterdam, 19 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:3650 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:3651 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2021:2684 Rechtbank Gelderland, 1 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:11527 Rechtbank Rotterdam, 17 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:8292 Rechtbank Den Haag, 17 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:9368 Rechtbank Den Haag, 17 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:379 Parket bij de Hoge Raad, 12 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4991 Gerechtshof Amsterdam, 27 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2018:4840 Rechtbank Overijssel, 13 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:9442 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2018:2653 Rechtbank Overijssel, 24 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:2122 Rechtbank Gelderland, 8 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:8188 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:672 Hoge Raad, 14 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:3624 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2013:5748 Rechtbank Oost-Brabant, 21 oktober 2013 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2007:AW3876 Parket bij de Hoge Raad, 9 februari 2007 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSGR:2004:AR0669 Gerechtshof 's-Gravenhage, 31 augustus 2004 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.