Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 14 oktober 2005
ECLI:NL:HR:2005:AU4300Zaaknummer 40299
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2005
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 40299
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
WOZ; waardering in goede justitie.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis, C.J.J. van Maanen en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2005.
Van de gemeente Oostflakkee wordt ter zake van het door de B en W ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 40.299
14 oktober 2005
JBH
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostflakkee (hierna: B en W) te Oude-Tonge tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 oktober 2003, nrs. BK-02/02472 t/m BK-02/02492, betreffende na te melden ten aanzien van Woningbouwvereniging X te Z gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).
1. Beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikkingen de waarde van 733 in Q gelegen onroerende zaken, voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld.
Na door belanghebbende tegen 405 van de beschikkingen gemaakt bezwaar heeft de WOZ-ambtenaar van de gemeente Oostflakkee bij uitspraken 289 van de beschikkingen gehandhaafd, het bezwaar tegen 108 van de beschikkingen gegrond verklaard en de waarden verminderd en het bezwaar tegen 8 beschikkingen gegrond verklaard en de waarden verminderd tot de door belanghebbende voorgestelde waarde.
Belanghebbende is tegen 395 van de hiervoor genoemde uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de WOZ-ambtenaar van de gemeente Oostflakkee vernietigd en de waarden van de onroerende zaken nader vastgesteld zoals vermeld in het dictum van de in kopie aan dit arrest gehechte uitspraak van het Hof.
2. Geding in cassatie
B en W hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
B en W hebben een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In onderdeel 6.1 van zijn uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat beide partijen ieder voor zich hun standpunten omtrent de waarde van de woningen geloofwaardig hebben geschraagd met de door hen overgelegde taxatierapporten en de in verband daarmee gebezigde argumenten. Vervolgens heeft het Hof in onderdeel 6.2 geoordeeld dat een redelijke toepassing van artikel 17, leden 1 en 2, van de Wet WOZ onder deze omstandigheden meebrengt dat het Hof ter beslechting van het geschil de waarde van elk van de woningen in goede justitie schat en dat als waarde in de zin van artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ een waarde moet worden aangenomen die tussen de door partijen geschatte waarden ligt.
Naar aanleiding van de tegen deze oordelen gerichte middelen overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.2. De waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44). De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de heffingsambtenaar. Slechts indien de heffingsambenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de belanghebbende de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter - desgeraden na inwinning van een deskundigenbericht - zelf tot een vaststelling in goede justitie van de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
3.3. Uit de uitspraak van het Hof blijkt niet dat het bovenstaande is miskend. 's Hofs oordeel (onderdeel 6.1) dat beide partijen ieder voor zich hun standpunten omtrent de waarde van de woningen geloofwaardig hebben geschraagd met de door hen aangedragen bewijsmiddelen en gebezigde argumenten, moet aldus worden verstaan dat het Hof aan de door elk van partijen aangedragen bewijsmiddelen en argumenten evenveel gewicht heeft toegekend. Tegen dat oordeel is op zichzelf geen klacht gericht. In dat oordeel ligt besloten 's Hofs oordeel dat de WOZ-ambtenaar de door hem verdedigde waarde van de woningen als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ, hoewel op zichzelf geloofwaardig geschraagd, tegenover de evenzeer geloofwaardig geschraagde betwisting daarvan door belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, en dat hetzelfde op overeenkomstige gronden geldt voor de door belanghebbende verdedigde waarde. Om die reden heeft het Hof vervolgens in onderdeel 6.2 van zijn uitspraak de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde in goede justitie zelf vastgesteld, kennelijk aan de hand van de door partijen in het geding gebrachte bewijsmiddelen.
Aldus verstaan geven deze overwegingen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefden zij geen nadere motivering. De middelen 1 en 2 falen.
3.4. Middel 3 berust op de veronderstelling dat het Hof heeft geaccepteerd dat bij de waardering van sociale huurwoningen, zoals hier aan de orde, een systematische neerwaartse correctie op zijn plaats is. 's Hofs uitspraak biedt evenwel voor die veronderstelling geen steun. Het middel faalt derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis, C.J.J. van Maanen en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2005.
Van de gemeente Oostflakkee wordt ter zake van het door de B en W ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHSGR:2003:AN7087 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2872 Gerechtshof Den Haag, 16 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2748 Gerechtshof Amsterdam, 8 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4639 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4502 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2148 Gerechtshof Den Haag, 1 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4065 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4067 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:3806 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1811 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1812 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1813 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag, 19 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1818 Gerechtshof Den Haag, 22 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1886 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:876 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2164 Gerechtshof Den Haag, 8 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2026:453 Hoge Raad, 20 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1831 Gerechtshof Den Haag, 17 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:670 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:674 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:292 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:325 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:327 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:328 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:417 Gerechtshof Den Haag, 18 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1021 Gerechtshof Den Haag, 4 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2676 Gerechtshof Den Haag, 9 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2466 Gerechtshof Den Haag, 4 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:5913 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:5280 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1919 Gerechtshof Den Haag, 7 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1921 Gerechtshof Den Haag, 5 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:899 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:619 Hoge Raad, 2 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:2656 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1110 Gerechtshof Den Haag, 24 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1111 Gerechtshof Den Haag, 24 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:2344 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:2134 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1694 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:527 Gerechtshof Den Haag, 5 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:971 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:325 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:31 Gerechtshof Den Haag, 14 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:32 Gerechtshof Den Haag, 14 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:62 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:64 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7644 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7645 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7089 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7096 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2679 Gerechtshof Den Haag, 13 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2680 Gerechtshof Den Haag, 13 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3246 Gerechtshof Amsterdam, 7 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6545 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6547 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6549 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3616 Gerechtshof Amsterdam, 15 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6416 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6427 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2024 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.