Uitspraak · Personen- en familierecht

Hoge Raad, 14 oktober 2005

ECLI:NL:HR:2005:AT6844Zaaknummer R04/056HR

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/056HR
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Cassatie
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige, verlenging van machtiging; ontvankelijkheid in cassatie, gebrek aan belang wegens termijnoverschrijding.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, P.C. Kop, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 oktober 2005.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. Het geding in feitelijke instanties
  2. 2. Het geding in cassatie
  3. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
  4. 4. Beslissing

14 oktober 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/056HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

STICHTING BUREAU JEUGDZORG OVERIJSSEL,

gevestigd te Enschede,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. W.B. Teunis.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 2 juni 2003 ter griffie van de rechtbank te Almelo ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - zich gewend tot de kinderrechter aldaar en verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de uit verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] geboren minderjarige [het kind] met ingang van 30 juli 2003 te verlengen voor de duur van één jaar.

De moeder heeft beide verzoeken bestreden.

De rechtbank heeft na een mondelinge behandeling van de zaak op 2 juli 2003 bij twee beschikkingen van 9 juli 2003 zowel de termijn van de ondertoezichtstelling als die van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 juli 2003 voor de duur van één jaar verlengd met handhaving van de Stichting tot gezinsvoogdij-instelling.

Tegen deze twee beschikkingen heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij beschikking van 20 januari 2004 heeft het hof de beschikkingen waarvan beroep bekrachtigd.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Stichting heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het cassatieberoep van de moeder is uitsluitend gericht tegen de bekrachtiging door het hof van de beslissing van de rechtbank de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige met ingang van 30 juli 2003 voor de duur van één jaar te verlengen.

Nu de termijn, waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing gold, op 30 juli 2004 is verstreken, heeft de moeder geen belang meer bij haar cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, P.C. Kop, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 oktober 2005.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.