Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 14 oktober 2005
ECLI:NL:HR:2005:AR6821Zaaknummer 40244
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2005
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 40244
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bron van inkomen? Uurvergoeding vrijwillige politie: belastbaar?
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2005.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 40.244
14 oktober 2005
AB
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2003, nr. 01/01741, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 8845, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een conclusie van repliek heeft belanghebbende nog een geschrift met bijlage ingediend. Daarop slaat de Hoge Raad geen acht.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 19 oktober 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in het onderhavige jaar vrijwillig ambtenaar van politie. Als zodanig verrichtte hij politiediensten en nam hij deel aan oefeningen en cursussen. Daarvoor ontving hij een vergoeding van ƒ 7,50 per uur. Van de uurvergoedingen werd per activiteit (werkelijke dienst, oefening of cursus) een bedrag van ƒ 5 belastingvrij toegekend als vaste onkostenvergoeding, ongeacht het aantal uren dat met de desbetreffende activiteit gemoeid was. Voor het overige werden de uurvergoedingen in de inhouding en afdracht van loonbelasting/premie volksverzekeringen betrokken; in het onderhavige jaar betrof dat een totaal van ƒ 1815. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur dat bedrag van ƒ 1815 tot het (bruto) loon uit dienstbetrekking gerekend. Voor het Hof was in geschil of voormeld bedrag van ƒ 1815 terecht is aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.
3.2. In onderdeel 4.1 van zijn uitspraak heeft het Hof, na te hebben vastgesteld dat belanghebbende een publiekrechtelijke dienstbetrekking vervulde, geoordeeld dat sprake is van een bron van inkomen. Het heeft daarbij verwezen naar artikel 1 en artikel 2, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964.
3.3. Onderdeel a van het middel betoogt terecht dat, anders dan het Hof klaarblijkelijk heeft gemeend, het bestaan van een bron van inkomen niet mag worden aangenomen op de enkele grond dat sprake is van een publiekrechtelijke dienstbetrekking. Belanghebbende heeft voor het Hof onder meer - voorzover in cassatie van belang - aangevoerd dat de uurvergoeding van ƒ 7,50 niet kostendekkend is. Daarin ligt besloten de stelling dat hij zijn activiteiten als politievrijwilliger niet verricht in de sfeer van de inkomstenverwerving, maar in die van de inkomstenbesteding. In het licht van deze stelling mocht het Hof niet tot zijn voormeld oordeel komen zonder te onderzoeken of de betrokken activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn, dan wel daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij belanghebbende positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. Deze toets dient ook te worden aangelegd indien de werkzaamheden en diensten in een bepaald jaar een netto voordeel hebben opgeleverd - welk geval zich te dezen voordoet, gelet op 's Hofs in cassatie niet bestreden vaststellingen, waaronder die in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak -, maar niettemin de vraag aan de orde wordt gesteld of dat voordeel aan heffing van inkomstenbelasting is onderworpen (vgl. HR 1 februari 2002, nr. 36238, BNB 2002/128, onderdeel 3.3).
3.4. Onderdeel a van het middel slaagt. Verwijzing moet volgen. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De overige onderdelen van het middel behoeven geen behandeling. De hierin aan de orde gestelde vragen kunnen, voorzover nodig, na verwijzing aan de orde komen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2005.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2005:AR6821 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHSHE:2003:AL8394 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6464 Rechtbank Gelderland, 19 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1598 Gerechtshof Den Haag, 13 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2403 Gerechtshof Den Haag, 29 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7092 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3468 Gerechtshof Amsterdam, 12 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2046 Gerechtshof Den Haag, 17 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2406 Gerechtshof Amsterdam, 29 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:182 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 27 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:1518 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:5 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2022:345 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 14 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:7512 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2022:155 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 3 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:706 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 februari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4157 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:670 Gerechtshof Den Haag, 8 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:1245 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:8469 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2020:5155 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6946 Rechtbank Noord-Holland, 2 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:4814 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:881 Gerechtshof Den Haag, 28 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:2707 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:238 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:10314 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:9861 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:4690 Gerechtshof Amsterdam, 24 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7584 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3106 Gerechtshof Amsterdam, 22 augustus 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2248 Gerechtshof Amsterdam, 2 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6734 Rechtbank Den Haag, 1 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:1093 Rechtbank Gelderland, 14 maart 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:1630 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3123 Gerechtshof Den Haag, 13 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3124 Gerechtshof Den Haag, 13 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:8807 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1457 Gerechtshof Den Haag, 18 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1188 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:4036 Gerechtshof Den Haag, 23 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:11197 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5453 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:10336 Rechtbank Den Haag, 1 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:6155 Rechtbank Den Haag, 7 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1060 Gerechtshof Den Haag, 19 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:2854 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:881 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3284 Gerechtshof Den Haag, 2 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2016:13389 Rechtbank Den Haag, 25 oktober 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:8258 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 oktober 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2016:4119 Rechtbank Den Haag, 7 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2005:AR6821 Parket bij de Hoge Raad, 14 oktober 2005 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2003:AL8394 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 augustus 2003 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.