Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 29 juni 2004
ECLI:NL:HR:2004:AO5710Zaaknummer 02051/03
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 29 juni 2004
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 02051/03
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Belaging ex art. 285b Sr. 1. Art. 2.1 Vierde Protocol EVRM verhindert niet ook gedragingen op de openbare weg strafbaar kunnen zijn. 2. Uitleg "inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer". 3. Uitleg "stelselmatig" en "oogmerk". Ad 2. In aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (verdachte heeft zich gedurende vijf maanden veelvuldig geruime tijd - ook in de nachtelijke uren - in de nabijheid van de woning/werkplek van het slachtoffer opgehouden en haar gevolgd/geobserveerd), getuigt 's hofs oordeel dat die gedragingen "inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer" van het slachtoffer niet van een onjuiste uitleg van art. 285b Sr. Ad 3. In aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de aard, de duur en de frequentie van de gedragingen van verdachte en zijn mede uit die gedragingen af te leiden bedoeling, geeft 's hofs oordeel dat verdachte "stelselmatig" inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer met het "oogmerk" haar te dwingen iets te doen of te dulden geen blijk van een onjuiste uitleg van art. 285b Sr.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 juni 2004.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
29 juni 2004
Strafkamer
nr. 02051/03
IV/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 22 april 2003, nummer 21/002818-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 11 oktober 2002 - de verdachte ter zake van "belaging" veroordeeld tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het tweede en het derde middel
3.1. Het tweede middel klaagt dat art. 2, eerste lid, Vierde Protocol bij het EVRM is geschonden, omdat "het bewezenverklaarde ziet op belaging op de openbare weg waar verzoeker vrij is te gaan, te staan en ook te zitten op een kennelijk voor het publiek bestemd bankje". Het bewezenverklaarde levert volgens het middel dan ook geen strafbaar feit op wegens het ontbreken van de wederrechtelijkheid. Voorzover handelingen begaan op de openbare weg strafbaar zouden kunnen zijn op grond van art. 285b Sr, had het Hof moeten motiveren waarom het privacyrecht van het slachtoffer dient te prevaleren boven de bewegingsvrijheid van de verdachte, aldus het middel.
3.2. Het derde middel keert zich tegen de bewezenverklaring met de stelling dat het enkele feit dat de verdachte binnen een tijdsbestek van vijf maanden ongeveer zevenmaal een ontmoeting of confrontatie met het slachtoffer heeft gehad, nog niet meebrengt dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer stelselmatig was als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr en evenmin dat daaruit volgt dat de verdachte het bewezenverklaarde oogmerk had.
3.3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 16 mei 2001 tot en met 27 oktober 2001 in de gemeente Utrecht, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de levenssfeer van [het slachtoffer] met het oogmerk haar te dwingen iets te doen, of te dulden, immers heeft hij aldaar in genoemde periode
- zich veelvuldig en geruime tijd (ook in de nachtelijke uren) in de (onmiddellijke) nabijheid van de woning en de werkplek van die [slachtoffer] opgehouden en/of
- veelvuldig die [slachtoffer] gevolgd en/of geobserveerd".
3.4. Het Hof heeft in een nadere bewijsoverweging een ter terechtzitting gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Namens de verdachte is aangevoerd dat het feitelijk gebeuren, zoals is telastegelegd geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [het slachtoffer] oplevert en derhalve geen belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht kan opleveren. Verdachte is immers niet binnengedrongen in haar woning, tuin of werkplek en heeft voorts ook geen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het gezin, familie of bekenden van [het slachtoffer].
In de wetsgeschiedenis is omtrent het begrip persoonlijke levenssfeer onder meer het volgende opgemerkt. De belager breekt in op een situatie, waarin het slachtoffer redelijkerwijs aanspraak kon maken op (een zekere mate van) privacy. Privacy is een rechtsgoed waaraan men ook deel heeft als men de ruimtelijke beslotenheid van huis, tuin of erf verlaat. Zo kan iemand die aan het werk is buitenshuis ook daar worden belaagd (TK, 1997/98, 25 768, nr. 5). Voorts wordt in de nota naar aanleiding van het verslag daaromtrent het volgende opgemerkt. Het door de delictsomschrijving in de woorden "persoonlijke levenssfeer" te beschermen rechtsgoed is het grondrecht om in vrijheid te handelen onder het genot van een veilige private levenssfeer. Een gedraging die stelselmatig op dat grondrecht inbreuk maakt zodanig dat de gerechtigde niet langer in het ongestoorde genot van zijn grondrecht is, kan een gedraging in de zin van het wetsvoorstel zijn. Ter invulling van het begrip persoonlijke levenssfeer wordt gewezen op het Niemietzarrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, EHRM 16/12/1992, NJ 1993, 400. In dit arrest heeft het Hof beslist dat het begrip "privacy" een transcendent begrip is dat onttrokken is aan stoffelijke beperkingen. Net als het begrip "home" strekt het zich uit naar ruimtelijkheden die niet gefixeerd zijn naar tijd of plaats. (TK, 1998/99, 25 768, nr. 7).
Op grond van de wetsgeschiedenis is het hof van oordeel dat het zich veelvuldig en geruime tijd, ook in de nachtelijke uren, ophouden in de onmiddellijke nabijheid van de woning en werkplek en/of het veelvuldig volgen en observeren van een ander kan worden gebracht onder inbreuk maken op de levenssfeer van een ander, zoals omschreven in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht."
3.5. Art. 285b, eerste lid, Sr luidt:
"Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie."
3.6.1. Voorzover aan het tweede middel de opvatting ten grondslag ligt dat de gedragingen van de verdachte niet strafbaar kunnen zijn voorzover zij zich op de openbare weg hebben afgespeeld, faalt het. Zodanige opvatting is immers onjuist. Aan de onder meer in art. 2, eerste lid, Vierde Protocol bij het EVRM gewaarborgde "liberty of movement" kan de verdachte niet ontlenen dat aan zijn gedragingen op de openbare weg geen beperkingen kunnen worden gesteld die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.
Zodanige beperkingen zijn voorzien in art. 285b, eerste lid, Sr.
3.6.2. In aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [het slachtoffer], getuigt - mede in het licht van de ontstaansgeschiedenis van art. 285b, eerste lid, Sr - het oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte, ook in de publieke ruimte, "inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer" van [het slachtoffer] niet van een onjuiste uitleg van de genoemde bepaling. De bewezenverklaring is in zoverre ook toereikend gemotiveerd.
3.6.3. Het tweede middel faalt.
3.7. Mede gelet op de ontstaansgeschiedenis van genoemde bepaling en in aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent onder meer de aard, de duur en de frequentie van de gedragingen van de verdachte en zijn, mede uit die gedragingen af te leiden bedoeling, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte "stelselmatig" inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [het slachtoffer] met het "oogmerk" haar te dwingen iets te doen of te dulden geen blijk van een onjuiste uitleg van art. 285b, eerste lid, Sr. De bewezenverklaring is ook in dit opzicht toereikend gemotiveerd. Het derde middel faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 juni 2004.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2004:AO5710 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9753 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 oktober 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9623 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 oktober 2026 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2026:885 Parket bij de Hoge Raad, 22 september 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4287 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 juli 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2026:5695 Rechtbank Limburg, 15 juni 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1506 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 mei 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6889 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 november 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5689 Rechtbank Overijssel, 25 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5585 Rechtbank Overijssel, 16 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:3950 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juni 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:389 Parket bij de Hoge Raad, 1 april 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1672 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 maart 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2025:11926 Rechtbank Gelderland, 13 maart 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:190 Parket bij de Hoge Raad, 11 februari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:507 Rechtbank Limburg, 22 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:508 Rechtbank Limburg, 22 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16388 Rechtbank Den Haag, 11 oktober 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2024:5200 Rechtbank Limburg, 5 augustus 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:3513 Rechtbank Midden-Nederland, 6 juni 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:3270 Rechtbank Midden-Nederland, 27 mei 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6725 Rechtbank Den Haag, 3 mei 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:1675 Rechtbank Noord-Nederland, 3 mei 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1998 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 maart 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2023:5891 Rechtbank Limburg, 27 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:8627 Rechtbank Rotterdam, 24 augustus 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:3222 Rechtbank Noord-Nederland, 3 augustus 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:5456 Rechtbank Noord-Holland, 15 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1836 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 maart 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:10798 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2008 Gerechtshof Den Haag, 13 oktober 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5298 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8502 Rechtbank Den Haag, 25 augustus 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5332 Rechtbank Den Haag, 3 juni 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:2870 Rechtbank Noord-Holland, 5 april 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:2375 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 maart 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:291 Parket bij de Hoge Raad, 29 maart 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:463 Rechtbank Noord-Nederland, 22 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:770 Rechtbank Noord-Holland, 28 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:467 Rechtbank Den Haag, 26 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2021:7696 Rechtbank Limburg, 12 oktober 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:8393 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 augustus 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3481 Rechtbank Noord-Nederland, 12 augustus 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3261 Rechtbank Noord-Nederland, 30 juli 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:2824 Rechtbank Noord-Nederland, 29 juni 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:2541 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 maart 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:9779 Rechtbank Limburg, 14 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:9780 Rechtbank Limburg, 14 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:11192 Rechtbank Den Haag, 11 november 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2005 Gerechtshof Den Haag, 22 september 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1560 Gerechtshof Den Haag, 25 augustus 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2020:2340 Rechtbank Overijssel, 13 juli 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:2384 Rechtbank Limburg, 25 maart 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:685 Rechtbank Rotterdam, 20 januari 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1347 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:1869 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 april 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:5213 Rechtbank Gelderland, 7 december 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:5143 Rechtbank Rotterdam, 3 mei 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2018:1425 Rechtbank Limburg, 13 februari 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2018:363 Rechtbank Noord-Nederland, 1 februari 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12150 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2017 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.