Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 17 januari 2003
ECLI:NL:HR:2003:AF2996Zaaknummer 37463
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 17 januari 2003
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 37463
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2003.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 37.463
17 januari 2003
cl
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 mei 2001, nr. P:00/01811, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 150.964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar (1997), evenals in de jaren 1994, 1995 en 1996, in loondienst werkzaam. Hem was in die jaren door zijn werkgeefster een personenauto ter beschikking gesteld. De afstand tussen zijn woning en zijn werk bedroeg in die jaren 42 kilometer.
3.1.2. Bij brief van 11 januari 1996 heeft belanghebbende de Inspecteur geïnformeerd omtrent enkele correcties op de door hem gedane aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994, onder meer betreffende de toepassing van het percentage dat is vermeld in artikel 42, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Laatstbedoelde correctie is in die brief als volgt toegelicht:
"De Hoge Raad heeft gesteld (BNB 1995/140) dat vanuit de 24 % regeling voor het privé-gebruik van de auto een discriminerende werking uitgaat. Het houdt een schending in van het gelijkheidsbeginsel."
In die brief heeft belanghebbende het belastbare bedrag wegens privé-gebruik van de personenauto van zijn werkgeefster berekend uitgaande van 20 percent van de catalogusprijs van de personenauto.
3.1.3. De aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 is op 9 april 1996 overeenkomstig de berekening in de brief van 11 januari 1996 verminderd. De definitieve aanslag voor het jaar 1994 is nimmer opgelegd.
3.1.4. In een bijlage bij de aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995 respectievelijk 1996 heeft belanghebbende een gespecificeerde opgave van het belastbare bedrag wegens privé-gebruik van de personenauto van zijn werkgeefster gedaan, welk bedrag hij heeft berekend uitgaande van 20 percent van de catalogusprijs van de personenauto. Die berekening is op dit punt verder niet toegelicht. De aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1995 en 1996 zijn conform de ingediende aangiften geregeld.
3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende aan de vermindering van de voorlopige aanslag 1994 en de vaststelling overeenkomstig de aangiften van de aanslagen 1995 en 1996 het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat in het onderhavige jaar het belastbare bedrag wegens privé-gebruik van de personenauto van zijn werkgeefster door de Inspecteur zou worden berekend uitgaande van 20 percent van de catalogusprijs van de personenauto. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord.
3.3. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel aangevoerde klachten moet het volgende worden vooropgesteld.
In het algemeen is de inspecteur niet ertoe verplicht bij de vaststelling van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een zelfde standpunt in te nemen als ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag of een vermindering daarvan. Aan een zodanige gebondenheid staan aard en wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag en een vermindering daarvan in de weg. De voorlopige aanslag schept slechts een grondslag voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld en hij pleegt - in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften - te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde gegevens. Bij de vaststelling van een voorlopige aanslag en een vermindering daarvan ligt een grondig onderzoek van de zijde van de belastingadministratie derhalve niet voor de hand.
De evenvermelde regel dient echter uitzondering te lijden indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. De enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd of verminderd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, is op zichzelf onvoldoende reden voor een uitzondering als hier bedoeld.
Voorts is, afgezien van het geval dat een gedragslijn van de inspecteur berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het desbetreffende jaar zou gelden, voor in rechte te beschermen vertrouwen meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Ook in die situatie hangt de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling. Tot die omstandigheden kan behoren de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld (vgl. HR 13 december 1989, nr. 25077, BNB 1990/119). Met het enkel bij een aangiftebiljet voegen van een specificatie is doorgaans het betrokken punt niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde gesteld (vgl. HR 13 januari 1993, nr. 28935, BNB 1993/100).
3.4. Bij zijn hiervoor in 3.2 vermelde oordeel (onderdeel 5.4 van 's Hofs uitspraak) is het Hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat belanghebbende met zijn brief van 11 januari 1996 de vraag of het percentage, vermeld in artikel 42, lid 4, van de Wet, van toepassing is, uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur heeft voorgelegd. Voorzover de klachten ervan uitgaan dat het Hof die brief slechts als een specificatie heeft aangemerkt, missen zij derhalve feitelijke grondslag.
3.5. Het Hof heeft, uitgaande van de omstandigheid dat, naar algemeen bekend is, het opleggen en verminderen van voorlopige aanslagen een massaproces is, waarin een grondige beoordeling van de voorhanden gegevens in de regel niet aan de orde komt, geoordeeld dat belanghebbende niet heeft kunnen menen dat er sprake is van een weloverwogen standpuntbepaling van de Inspecteur. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat er geen contact is geweest over de brief van 11 januari 1996, dat belanghebbende de in geding zijnde punten uitsluitend bij zijn aangiften voor 1995 en 1996 in de bijbehorende specificaties heeft vermeld en dat er ook overigens over deze punten vóór de aanslagregeling voor het onderhavige jaar geen overleg met belanghebbende is geweest; voorts heeft het Hof van belang geacht dat belanghebbende mede op grond van het besluit van de Staatssecretaris van 7 februari 1996, nr. DB96/436M, waarmee hij kennelijk bekend was, had moeten beseffen dat de vermindering van de voorlopige aanslag niet kon berusten op een uitdrukkelijke goedkeuring van de Inspecteur. Op grond van dit een en ander is het Hof tot de slotsom gekomen dat de vermindering van de voorlopige aanslag voor het jaar 1994 noch het volgen van de aangiften voor de jaren 1995 en 1996 tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel leidt. Voormeld oordeel en deze slotsom geven, gelet op het hiervoor in 3.3 overwogene, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De tegen voormeld oordeel en slotsom gerichte klachten falen derhalve.
3.6. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2003.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2286 Gerechtshof Den Haag, 9 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:351 Gerechtshof Den Haag, 13 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:352 Gerechtshof Den Haag, 13 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2574 Gerechtshof Den Haag, 26 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam, 11 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1763 Gerechtshof Den Haag, 4 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:1752 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7092 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2636 Gerechtshof Den Haag, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:3650 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:278 Gerechtshof Den Haag, 21 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2369 Gerechtshof Amsterdam, 13 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:4502 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:3451 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 april 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:702 Gerechtshof Den Haag, 16 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:703 Gerechtshof Den Haag, 16 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:704 Gerechtshof Den Haag, 16 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:705 Gerechtshof Den Haag, 16 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:8936 Rechtbank Noord-Holland, 17 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5621 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3820 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1777 Gerechtshof Den Haag, 7 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2151 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:96 Rechtbank Noord-Holland, 12 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:65 Rechtbank Noord-Holland, 7 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2366 Gerechtshof Den Haag, 3 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:159 Gerechtshof Den Haag, 26 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:4 Gerechtshof Den Haag, 6 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9270 Rechtbank Noord-Holland, 18 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8439 Rechtbank Noord-Holland, 27 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2845 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:842 Gerechtshof Den Haag, 14 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1234 Gerechtshof Amsterdam, 7 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:1479 Rechtbank Limburg, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:1482 Rechtbank Limburg, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:1485 Rechtbank Limburg, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:1784 Rechtbank Limburg, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:1785 Rechtbank Limburg, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3038 Gerechtshof Den Haag, 12 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3634 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1019 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 maart 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:1018 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:10037 Rechtbank Noord-Holland, 16 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6404 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3720 Gerechtshof Amsterdam, 23 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:1133 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4007 Gerechtshof Amsterdam, 21 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3073 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9614 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:9505 Rechtbank Noord-Holland, 15 november 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:3909 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 september 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:6747 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 augustus 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2016:4853 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1519 Gerechtshof Den Haag, 3 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:2290 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:1150 Rechtbank Gelderland, 3 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2989 Gerechtshof Den Haag, 7 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2015:9382 Rechtbank Den Haag, 21 juli 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2015:9383 Rechtbank Den Haag, 21 juli 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.