Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 7 juni 2002
ECLI:NL:HR:2002:AE3833Zaaknummer 36801
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 7 juni 2002
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 36801
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de beroepen ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2002.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 36.801
7 juni 2002
TVW
gewezen op de beroepen in cassatie van X te Z tegen de uitspraken van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 november 2000, nr. BK-99/01448 en nr. BK-99/01449, betreffende na te melden aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslagen, bezwaren en gedingen voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1993 en 1994 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 923.954, respectievelijk f 4.387.022, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft bij afzonderlijke uitspraken de beroepen ongegrond verklaard. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken bij afzonderlijke beroepschriften beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Hoge Raad heeft de zaken ter behandeling gevoegd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende herhaalt in cassatie zijn door het Hof verworpen betoog dat geen sprake is van een eerlijk proces, nu de Inspecteur hem, althans zijn advocaat, inzage heeft geweigerd in zijn belastingdossier.
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van het recht te worden gehoord voordat over zijn bezwaarschrift zou worden beslist, waardoor hij zichzelf de mogelijkheid van inzage in het belastingdossier welke artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht biedt, heeft onthouden. Nu belanghebbende voorts in het geding voor het Hof bekend was met de bewijsvoering van de Inspecteur, maar uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt dat hij met betrekking tot concrete stellingen van de Inspecteur heeft aangevoerd dat deze voortvloeiden of zouden kunnen voortvloeien uit onrechtmatig verkregen bewijs, valt niet in te zien in welk opzicht aan belanghebbende een eerlijk proces zou zijn onthouden. De klacht faalt derhalve.
3.2. Ook de overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de beroepen ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2002.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7971 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2083 Gerechtshof Den Haag, 19 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:7739 Rechtbank Rotterdam, 25 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:7742 Rechtbank Rotterdam, 25 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:130 Parket bij de Hoge Raad, 31 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:873 Parket bij de Hoge Raad, 29 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2341 Gerechtshof Amsterdam, 9 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2342 Gerechtshof Amsterdam, 9 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1433 Gerechtshof Amsterdam, 15 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1434 Gerechtshof Amsterdam, 15 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:499 Gerechtshof Amsterdam, 22 februari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:7246 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:963 Gerechtshof Amsterdam, 1 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:2274 Rechtbank Rotterdam, 19 maart 2021 (mededingingsrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:10572 Rechtbank Noord-Holland, 21 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2483 Gerechtshof Den Haag, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2019:6417 Rechtbank Noord-Holland, 30 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:451 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:88 Gerechtshof Amsterdam, 15 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4618 Gerechtshof Amsterdam, 31 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:492 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4293 Gerechtshof Amsterdam, 1 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2015:980 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 februari 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.