Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 13 november 2001
ECLI:NL:HR:2001:AD4573Zaaknummer 02142/00
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 november 2001
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 02142/00
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 13 november 2001.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
13 november 2001
Strafkamer
nr. 02142/00
LR/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 februari 2000, nummer 22/001626-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (voormalig Nederlands Indië) op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 februari 1999 - de verdachte ter zake van "verduistering" veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van zeventig uren, in plaats van vijf weken gevangenisstraf.
1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de strafzaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde auto door misdrijf heeft verkregen, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 1 oktober 1995 tot en met 4 december 1995, te Veenendaal, opzettelijk een personenauto (Peugeot 306), toebehorende aan PSA Financiering Nederland, welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als lessee onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend."
In de tenlastelegging is het - bewezenverklaarde - begrip "anders dan door misdrijf onder zich had" kennelijk gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 321 Sr.
3.3. Bedoeld bestanddeel van art. 321 Sr moet aldus worden uitgelegd dat niet enig door de betrokkene begaan misdrijf, zoals diefstal afpersing of oplichting, ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen. Niet van belang is dat door dat misdrijf een overeenkomst is totstandgekomen die slechts vernietigbaar is.
3.4. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Vast staat dat verdachte bij het aangaan van de "Peugeot Leaseovereenkomst: 16555" als naam van de "client" de naam van zijn zoon (immers beider achternaam met de voorletters van zijn zoon) heeft opgegeven en dat verdachte die overeenkomst heeft ondertekend met een handtekening waarvan niet zijn voorletters, maar die van zijn zoon deel uitmaken. Van dit feit uitgaande heeft de raadsvrouwe van verdachte aangevoerd dat verdachte van het aan hem tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat verdachte de Peugeot 306 heeft verkregen door een misdrijf, namelijk een valsheid in geschrift, gelegen in het plaatsen van een valse handtekening.
Het hof verwerpt deze stelling aangezien de omstandigheid dat verdachte de overeenkomst heeft voorzien van een handtekening met de voorletters van zijn zoon niet wegneemt dat verdachte de Peugeot 306 heeft verkregen met instemming van PSA Financiering Nederland BV. De omstandigheid dat PSA Financiering Nederland BV (handelend onder de naam Peugeot Lease) wellicht tengevolge van valsheid in geschrift tot die instemming is bewogen, doet daaraan niet af.
Vaststaat dat verdachte in feite de leaseovereenkomst met PSA Financiering Nederland BV heeft gesloten, dat verdachte daarbij de handtekening met de voorletters van zijn zoon heeft geplaatst en dat de auto aan verdachte is meegegeven. Niet
aannemelijk is geworden dat verdachte bij het aangaan van de overeenkomst op enige wijze aan PSA Financiering Nederland BV heeft kenbaar gemaakt dat zijn voorletters niet waren de voorletters die hij in de door hem geplaatste handtekening opnam. Onder deze omstandigheiden kon, mocht en moest PSA Financiering Nederland BV er op vertrouwen dat zij de leaseovereenkomst is aangegaan met degeen die de handtekening onder de leaseovereenkomst plaatste, te weten de verdachte. Hieruit leidt het hof af dat verdachte de Peugeot als lessee onder zich zich had toen hij zich die auto wederrechtelijk toeëigende."
3.5. Aldus is de verwerping van het verweer en daarmee de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen omkleed. Het Hof heeft immers in het midden gelaten of PSA Financiering Nederland B.V. door de door verdachte begane valsheid ertoe is bewogen haar toestemming te verlenen tot de afgifte van de desbetreffende, aan haar toebehorende, auto aan de verdachte. Daardoor is de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid opengebleven dat de verdachte de auto door enig misdrijf, te weten oplichting of het gebruik maken van een vals opgemaakt geschrift onder zich had, hetgeen zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 3.2 en 3.3 is overwogen, aan een bewezenverklaring van het tenlastegelegde in de weg staat.
3.6. Het middel is dus terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 13 november 2001.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2001:AD4573 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2026:146 Parket bij de Hoge Raad, 3 februari 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:4693 Rechtbank Amsterdam, 4 juli 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2024:123 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 12 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2023:7 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 14 april 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:756 Hoge Raad, 24 mei 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:423 Parket bij de Hoge Raad, 20 april 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4209 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 september 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2019:428 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 22 februari 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:2343 Hoge Raad, 18 december 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:246 Hoge Raad, 20 februari 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:576 Hoge Raad, 5 april 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:186 Parket bij de Hoge Raad, 23 februari 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2015:524 Rechtbank Amsterdam, 3 februari 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2001:AD4573 Parket bij de Hoge Raad, 13 november 2001 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.