Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 11 april 2001
ECLI:NL:HR:2001:AB1005Zaaknummer 36088
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 11 april 2001
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 36088
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2001.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 36088
11 april 2001
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 25 februari 2000, nr. BK-98/05070, betreffende na te melden aan X te Z (hierna: erflater) opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan erflater is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 32.871.
Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 43.752, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Erflater is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 32.170. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal L.F. van Kalmthout heeft op 29 december 2000 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van de zaak naar een ander Hof.
Zowel de erven van erflater als de Staatssecretaris hebben op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft vooropgesteld dat de inspecteur, alvorens tot het opleggen van een definitieve aanslag over te gaan, de gedane aangifte in die zin aan een onderzoek dient te onderwerpen dat zij voldoende gespecificeerd en derhalve controleerbaar is. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat, hoewel de door erflater ingediende aangifte een verzorgde indruk maakt, de Inspecteur bij erflater nadere gegevens had moeten inwinnen over de autokosten voorkomend in de bij de aangifte gevoegde winst- en verliesrekening, aangezien deze winst- en verliesrekening summier is te noemen en onvoldoende inzicht geeft om de (mate van) aftrekbaarheid van de zonder verdere specificatie opgevoerde (auto)kosten te kunnen beoordelen. Door na te laten bij erflater hierover nadere inlichtingen in te winnen heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof een ambtelijk verzuim gepleegd dat navordering in de weg staat. Onder meer tegen deze oordelen richt zich het middel.
3.2. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Niet juist is ’s Hofs oordeel dat de inspecteur ook een onderzoeksplicht heeft ingeval opgaven in een bijlage bij een aangifte in summiere vorm zijn gedaan en niet nader zijn gespecificeerd. Op grond hiervan slaagt het middel in zoverre.
3.3. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de in de verlies- en winstrekening opgenomen omzet van ƒ 25.286,08 voor de Inspecteur aanleiding had moeten zijn bij erflater nadere gegevens in te winnen omtrent het aantal aan de onderneming bestede uren, nu de omzet de Inspecteur op het moment van het opleggen van de aanslag reeds bekend was en hij, uitgaande van een door hemzelf gesteld minimum uurtarief van ƒ 25 aan de hand van het omzet-urencriterium reeds bij het regelen van de primitieve aanslag had kunnen berekenen dat erflater waarschijnlijk niet aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek zou voldoen. Door na te laten bij erflater op dit punt nadere inlichtingen in te winnen, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof een ambtelijk verzuim gepleegd dat navordering in de weg staat.
Met het vorenstaande heeft het Hof niet anders geoordeeld dan dat de Inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid van de door belanghebbende ingediende aangifte kennis te hebben genomen, in redelijkheid zodanige twijfel had moeten koesteren met betrekking tot de daarin opgenomen zelfstandigenaftrek, dat hij daarover aan belanghebbende nadere vragen had behoren te stellen voordat hij de primitieve aanslag regelde. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Bijgevolg faalt het middel dat voor het overige tegen dit oordeel opkomt, in zoverre.
3.4. Gezien het hiervóór in 3.2 overwogene kan ’s Hofs oordeel niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2001.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2001:AB1005 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3858 Rechtbank Noord-Holland, 10 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam, 11 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:20 Gerechtshof Den Haag, 9 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:5930 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:5931 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2444 Gerechtshof Den Haag, 29 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:8936 Rechtbank Noord-Holland, 17 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10844 Rechtbank Den Haag, 6 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1549 Gerechtshof Den Haag, 18 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1423 Gerechtshof Amsterdam, 2 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2103 Gerechtshof Den Haag, 27 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:705 Rechtbank Den Haag, 23 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:706 Rechtbank Den Haag, 23 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:707 Rechtbank Den Haag, 23 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:772 Rechtbank Den Haag, 23 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:10581 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3038 Gerechtshof Den Haag, 12 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5618 Rechtbank Den Haag, 29 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5619 Rechtbank Den Haag, 29 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5620 Rechtbank Den Haag, 29 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5621 Rechtbank Den Haag, 29 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5623 Rechtbank Den Haag, 29 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3458 Gerechtshof Den Haag, 18 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:8053 Rechtbank Noord-Holland, 21 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5288 Rechtbank Den Haag, 1 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:10641 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1228 Gerechtshof Den Haag, 3 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1557 Gerechtshof Den Haag, 8 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:1492 Rechtbank Den Haag, 25 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:147 Gerechtshof Den Haag, 11 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:4671 Rechtbank Gelderland, 23 augustus 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2016:8194 Rechtbank Den Haag, 7 juli 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:5175 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:9564 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 december 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:6569 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2014:5807 Rechtbank Noord-Nederland, 27 november 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2014:4382 Gerechtshof Amsterdam, 9 oktober 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2014:4413 Gerechtshof Amsterdam, 6 februari 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2014:4415 Gerechtshof Amsterdam, 6 februari 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2013:6134 Rechtbank Noord-Nederland, 10 oktober 2013 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2001:AB1005 Parket bij de Hoge Raad, 11 april 2001 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.