Uitspraak · Civiel recht

Hoge Raad, 15 september 1995

ECLI:NL:HR:1995:ZC1805Zaaknummer 15741

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 september 1995
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
15741
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Betaling; te goeder trouw aan onbevoegde; tussenpersoon; Opgewekt vertrouwen; Verklaring (vorm); Vertegenwoordiging; Verzekering (CAR-); Volmacht.

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Boskalis en Zinkcon in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op f 8.437,20 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 15 september 1995.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2. Het geding in cassatie
  2. 3. Beoordeling van het middel
  3. 4. Beslissing

15 september 1995

Eerste Kamer

Nr. 15.741 (C 94/166)

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. BOSKALIS WESTMINSTER N.V.,

2. ZINKCON INTERNATIONAL B.V.,

beide gevestigd te Papendrecht,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr M.J. Schenck,

tegen

[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: voorheen mr R.S. Meijer, thans mr T.H. Tanja-van den Broek.

1. Het geding in feitelijke instanties.

Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: Boskalis en Zinkcon - hebben bij exploit van 11 december 1990 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd [verweerster] te veroordelen om aan Boskalis te betalen een bedrag van f 174.897,38 en aan Zinkcon een bedrag van f 321.000, --.

Nadat [verweerster] tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 11 september 1992 de vorderingen toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft [verweerster] gevorderd voormeld vonnis te vernietigen, de vorderingen van Boskalis en Zinkcon af te wijzen, Boskalis en Zinkcon afzonderlijk te veroordelen om aan haar terug te betalen een bedrag van respectievelijk f 212.416,38, f 389.861, -- , en Boskalis en Zinkcon te zamen een bedrag van f 13.353,75, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 1992.

Bij arrest van 13 april 1994 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd, de vorderingen van Boskalis en Zinkcon afgewezen, en de vorderingen in hoger beroep van [verweerster] toegewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben Boskalis en Zinkcon beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Asser strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) Boskalis heeft in 1984, door bemiddeling van [verweerster], een CAR-verzekering gesloten voor het Bejaia Harbour project in Algerije. Zinkcon heeft in 1987, eveneens door bemiddeling van [verweerster], een CAR-verzekering gesloten voor het Arzew Breakwater project in Algerije.

(ii) De cover note behorende bij de polis van de door Boskalis gesloten verzekering hield in:

"Payment of claims shall be made exclusively to Royal Boskalis Westminster N.V."

De cover note behorende bij de polis van de door Zinkcon gesloten verzekering hield in:

"Payment of claims shall be made exclusively to Zinkcon International B.V. unless Zinkcon International B.V. authorizes the brokers [verweerster] B.V. to pay to any other party"

(iii) Op 27 juni 1985 heeft Boskalis Westminster Baggeren B.V., een vennootschap die behoort tot het Boskalis concern, aan [verweerster] geschreven:

"Hierbij delen wij u mede, dat [betrokkene 1] met ingang van 1 juli 1985 op eigen verzoek onze dienst zal verlaten en in dienst zal treden bij het assurantie-adviesbureau INSURANCE MANAGEMENT INTERNATIONAL Ltd.

Het doet ons groot genoegen dat wij met IMI Ltd een overeenkomst hebben gesloten, inhoudende dat deze maatschappij op zal treden als onze consultant op het gebied van verzekeringen.

Door deze samenwerkingsvorm zal ook in de toekomst een relatie kunnen blijven bestaan tussen Uw maatschappij en [betrokkene 1] aangaande de verzekeringszaken onze firma betreffende, waarbij [betrokkene 1] ons volste vertrouwen wordt gegeven."

Insurance Management International Ltd wordt hierna genoemd: IMI.

(iv) Op 17 oktober 1985 heeft IMI aan [verweerster] geschreven:

"Hiermede verzoeken wij u, indien assuradeuren tot uitbetaling van de verschillende claims zullen overgaan, de creditbedragen over te maken op banknummer [001] Banque Parisbas te Dordrecht ten name van Boskalis International b.v. (port Bejaia)."

(v) Ten tijde van het schrijven van de onder (iv) bedoelde brief hadden zich gebeurtenissen voorgedaan, die tot schade hebben geleid, welke door de door Boskalis gesloten verzekering was gedekt. De eerste twee betalingen - ten bedrage van f 53.500, -- en f 9.499, -- - zijn kort voor of op 20 februari 1986 door [verweerster] aan IMI gedaan, zulks ter doorbetaling aan Boskalis. Vervolgens heeft [verweerster] omstreeks 10 april 1986, omstreeks 6 mei 1986, omstreeks 29 mei 1986, omstreeks 17 juni 1986, omstreeks 21 juli 1986, omstreeks 20 oktober 1986 en omstreeks 13 februari 1987, via IMI betalingen aan Boskalis gedaan. In totaal heeft [verweerster] via IMI een bedrag van f 4.582.087,80 aan Boskalis betaald.

(vi) Op 1 september 1986 heeft IMI per telex aan [verweerster] bericht:

"Boskalis heeft gevraagd of u, rechtstreeks naar hen ter attentie van de heer [betrokkene 2] / [betrokkene 3] een tlx in de Engelse taal wilt zenden, waarin staat vermeld het totale bedrag van de cellenwandclaim en welk bedrag er tot op heden is betaald en het saldo".

Op 2 september 1986 heeft [verweerster] daarop gereageerd met een aan Boskalis verzonden telex-bericht waarin een opstelling is opgenomen van reeds betaalde en nog openstaande bedragen resulterend in een saldo van f 1.380.418,87. Laatstgenoemd bedrag is door [verweerster] via IMI aan Boskalis voldaan bij de onder (v) vermelde betaling van 20 oktober 1986.

(vii) In de jaren 1988 en 1989 heeft [verweerster] voor Boskalis bestemde betalingen aan IMI gedaan tot een bedrag van f 174.897,38. IMI heeft dat bedrag niet aan Boskalis afgedragen.

(viii) [verweerster] heeft ter zake van de door Zinkcon gesloten verzekering in 1988 premierestitutie ontvangen ten bedrage van f 321.000, --.

(ix) Op 2 januari 1989 heeft IMI per fax aan [verweerster] bericht:

"In antwoord op Uw fax d.d. 14.12.1988 delen wij u mede dat wij contact hebben gehad met Zinkcon en kunnen u mededelen dat zij akkoord gaan met het door u genoemde bedrag ad f 300.000, --. Wij verzoeken u dit bedrag bij assuradeuren te incasseren en z.s.m. op onze bankrekening over te maken. [002] Amro bank te Rotterdam."

(x) IMI heeft genoemd bedrag van f 321.000, -- van [verweerster] ontvangen maar niet aan Zinkcon afgedragen.

3.1.2 Boskalis en Zinkcon hebben in dit geding, na wijziging van hun eis, gevorderd dat [verweerster] zal worden veroordeeld tot betaling van f 174.897,38 aan Boskalis en van f 321.000, -- aan Zinkcon.

De Rechtbank heeft die vorderingen toegewezen. Het Hof heeft, het vonnis van de Rechtbank vernietigende, de vorderingen alsnog afgewezen.

De vordering van Boskalis

3.2.1 Onderdeel I van het middel bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten de rov. 5.5 tot en met 5.9 van het Hof.

3.2.2 Het onderdeel klaagt in de subonderdelen 1.2 en 1.3 in de eerste plaats, kort weergegeven, dat het Hof de invloed heeft miskend van de thans in de art. 6:30, 6:32 en 6:34 BW neergelegde en ook voor 1 januari 1992 reeds geldende rechtsregels betreffende de nakoming van verbintenissen.

De klacht faalt aangezien die regels niet van betekenis zijn voor de beoordeling van de in het onderhavige geval aan de orde zijnde vraag of [verweerster] IMI voor bevoegd mocht houden om de betalingen voor Boskalis te ontvangen. Het gaat hier immers niet om een geval waarin wordt betaald door een ander dan de schuldenaar (art. 6:30) voorts is niet aan de orde een geval van betaling aan een ander dan de schuldeiser of dan degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is haar te ontvangen (art. 6:32); al evenmin is aan de orde een geval waarin de schuldenaar meende dat degene aan wie hij betaalde als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of uit anderen hoofde aan hem moest worden betaald (art. 6:34).

3.2.3 Onderdeel I klaagt voorts, samengevat weergegeven, dat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk en zonder genoegzame motivering, op grond van het enkele stilzitten van Boskalis heeft geoordeeld dat [verweerster] redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat IMI een toereikende volmacht was verleend om voor Boskalis bestemde betalingen te ontvangen.

3.2.4 Het onderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het Hof zijn bestreden oordeel (hoofdzakelijk) heeft gebaseerd op "enkel stilzitten" van Boskalis. Hetgeen het Hof in dit verband heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat:

(1) Boskalis heeft IMI - in wier dienst de voormalige werknemer van Boskalis: [betrokkene 1], was getreden - als "onze consultant op het gebied van verzekeringen" voorgesteld, aan wie door Boskalis "aangaande de verzekeringszaken onze firma betreffende ... ons volste vertrouwen wordt gegeven" (rov. 5.2).

(2) Boskalis heeft, ondanks de brief van 17 oktober 1985, in de periode van 20 februari 1986 tot 13 februari 1987 tien betalingen door [verweerster] aan IMI aanvaard tot een bedrag van f 4.582.087,80 zonder [verweerster] schriftelijk erop te wijzen dat rechtstreeks aan haar zelf diende te worden betaald (rov. 5.6 t/m 5.8).

(3) Boskalis heeft, hoewel zij al zes maanden ervan op de hoogte was dat [verweerster] de betalingen in strijd met de instructie van 17 oktober 1985 via IMI laat lopen niet nog eens bij gelegenheid van de telex van 1 september 1986 - hiervoor in 3.1 onder (vi) weergegeven - niet nog eens aan [verweerster] onder ogen doen brengen dat zulks in strijd was met haar instructie (rov. 5.7).

(4) Door het in het in 3.1 onder (vi) bedoelde telex-bericht vervatte verzoek door IMI aan [verweerster] te laten overbrengen, heeft Boskalis de indruk gewekt dat zij met de wijze waarop [verweerster] tot dan de betalingen heeft gedaan op zichzelf geen problemen had (rov. 5.7).

3.2.5 Aan die overwegingen heeft het Hof in rov. 5.9 de gevolgtrekking verbonden dat Boskalis:

"gedurende lange tijd tegenover [verweerster] een houding heeft aangenomen waaruit [verweerster] kon en mocht afleiden dat Boskalis geen bezwaar had tegen de wijze waarop [verweerster] de schadebetalingen liet plaatsvinden."

alsmede dat:

"Boskalis op haar toe te rekenen wijze bij [verweerster] de schijn heeft gewekt dat I.M.I. bevoegd was namens haar de betalingen te incasseren die in het kader van de verzekering te verwachten waren."

Kennelijk is het Hof daarbij ervan uitgegaan dat de hiervoor in 3.2.4 onder (1) tot en met (4) genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, moeten worden aangemerkt als verklaringen en gedragingen van Boskalis op grond waarvan [verweerster] redelijkerwijs mocht aannemen dat Boskalis aan IMI een toereikende volmacht had verleend om in haar naam betalingen van [verweerster] te ontvangen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Daarop stuiten alle overige klachten van onderdeel I af.

3.3.1 Onderdeel II klaagt in de subonderdelen 2.1 tot en met 2.3, dat niet duidelijk is welke betekenis het Hof in zijn rov. 5.2, samengevat weergegeven, toekent aan de omstandigheid dat het doen van de eerste twee betalingen aan IMI in het licht van de brief van 17 oktober 1985 een weliswaar foutieve handeling van [verweerster] was, die echter niet onbegrijpelijk hoeft te zijn. Voorts klagen de subonderdelen dat niet duidelijk is welke betekenis het Hof toekent aan de door hem met (a), (b) en (c) aangeduide omstandigheden.

Deze klachten falen. De bestreden overwegingen zijn onderdelen van het betoog van het Hof in zijn rov. 5.2, 5.3 en 5.5 dat het door [verweerster] omstreeks 20 februari 1986 niet rechtstreeks aan Boskalis - overeenkomstig de brief van 17 oktober 1985 - maar aan IMI betalen, op een vergissing berustte die in het licht van de door het Hof in rov. 5.2 onder (a), (b) en (c) genoemde omstandigheden begrijpelijk is en dat het op de weg van Boskalis had gelegen [verweerster] schriftelijk erop te wijzen dat betalingen niet aan IMI maar rechtstreeks aan Boskalis dienden te geschieden (rov. 5.5). Aldus opgevat is de bestreden overweging niet onbegrijpelijk.

3.3.2 De subonderdelen 2.4 en 2.5 zijn gericht tegen 's Hofs rov. 5.2 voor zover het Hof daarin onder (b) overweegt dat betaling van schadeuitkeringen via tussenpersonen in de verzekeringsbranche, zoals tussen partijen vaststaat, niet ongebruikelijk is.

Voor zover de subonderdelen ervan uitgaan dat het Hof zou hebben geoordeeld dat tussen partijen vaststaat dat IMI als tussenpersoon belast met het ontvangen en doorgeven van betalingen, werkzaam was, gaan zij uit van een verkeerde lezing van de bestreden overweging. Daarin belicht het Hof slechts de rol van tussenpersonen in de verzekeringspraktijk in het algemeen. De bestreden overweging houdt geen oordeel in omtrent de positie van IMI in het onderhavige geval. Het onderdeel kan derhalve in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.3.3 De voorts in de subonderdelen 2.4 en 2.5 vervatte motiveringsklacht, gericht tegen 's Hofs oordeel dat tussen partijen vaststaat dat - in het algemeen - in de verzekeringsbranche betaling van schadeuitkeringen via tussenpersonen niet ongebruikelijk is, faalt omdat dit oordeel in het licht van de gedingstukken geenszins onbegrijpelijk is.

3.3.4 De subonderdelen 2.4 en 2.5 klagen voorts erover dat niet valt in te zien hoe de omstandigheid dat in de verzekeringsbranche betaling van schadeuitkeringen via tussenpersonen niet ongebruikelijk is, kan bijdragen tot het oordeel dat in het onderhavige geval bij [verweerster] de schijn is gewekt dat IMI bevoegd was betalingen voor Boskalis in ontvangst te nemen.

Ook deze klacht faalt. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat in de verzekeringspraktijk niet ongebruikelijk is dat schadeuitkeringen aan tussenpersonen worden betaald ter doorbetaling aan de verzekerde, een omstandigheid is die, met de andere door het Hof gereleveerde omstandigheden, ertoe heeft bijgedragen dat bij [verweerster] de indruk is gevestigd dat een dergelijke gedragslijn ook in het onderhavige geval kon worden gevolgd, zodat niet onbegrijpelijk is dat [verweerster], ondanks de brief van 17 oktober 1985, aan IMI betaalde.

3.4.1 De subonderdelen 3.1 en 3.2 van onderdeel III klagen dat het Hof ten onrechte in rov. 5.5 heeft geoordeeld dat een mondelinge waarschuwing van [betrokkene 1] aan een functionaris van [verweerster] - ertoe strekkende dat rechtstreeks aan Boskalis moest worden betaald - onvoldoende was gezien het belang van de zaak.

Deze klacht faalt. Op zich zelf is juist, zoals ook naar voren komt uit art. 3:37, eerste lid, BW, dat verklaringen met inbegrip van mededelingen, in beginsel in iedere vorm kunnen geschieden. Door te oordelen dat in het onderhavige geval, in verband met het belang van de zaak, een mondelinge mededeling niet voldoende was, heeft het Hof echter niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Art. 3:37, eerste lid, staat niet eraan in de weg dat de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat niet met een mondelinge mededeling kan worden volstaan maar een schriftelijke vorm noodzakelijk is. 's Hofs oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

3.4.2 De voorts nog in onderdeel 3.3 vervatte klacht dat het Hof ten onrechte aan de omstandigheid dat Boskalis heeft nagelaten [verweerster] erop te wijzen dat zij rechtstreeks aan Boskalis diende te betalen, de gevolgtrekking heeft verbonden dat Boskalis bij [verweerster] de schijn heeft gewekt dat IMI bevoegd was betalingen voor Boskalis te ontvangen, stemt overeen met de hiervoor onder 3.2.3 weergegeven klacht. Zij faalt op de onder 3.2.4 en 3.2.5 vermelde gronden.

3.4.3 Onderdeel 3.4 bouwt voort op onderdeel 3.3 en moet het lot daarvan delen.

De vordering van Zinkcon

3.5.1 Onderdeel 7 is gericht tegen 's Hofs oordeel in rov. 7, dat [verweerster] ook met betrekking tot de voor Zinkcon bestemde betaling mocht uitgaan van de bevoegdheid van IMI om deze betaling in naam van Zinkcon te ontvangen.

3.5.2 Het Hof heeft in de tweede alinea van rov. 7, op blz. 6 van zijn arrest, in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat Zinkcon niet heeft gesteld dat de mededelingen van IMI, die zijn vervat in haar fax-bericht van 2 januari 1989 - in 3.1 onder (ix) weergegeven - onbevoegd door IMI zijn gedaan. Daarin ligt besloten dat het Hof ook de ruggespraak van IMI met Zinkcon, waarvan het faxbericht melding maakt, onweersproken heeft geacht. Aldus heeft het Hof kennelijk gedragingen van Zinkcon zelf ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat [verweerster] mocht aannemen dat Zinkcon een toereikende volmacht aan IMI had verleend om de betalingen in ontvangst te nemen, tot welk oordeel het Hof kennelijk mede in het licht van de in zijn rov. 7, eerste alinea, vermelde omstandigheden is gekomen.

Aldus opgevat geeft 's Hofs oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Daarop stuiten alle klachten van onderdeel IV af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Boskalis en Zinkcon in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op f 8.437,20 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 15 september 1995.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.