Uitspraak · Belastingrecht

Hoge Raad, 16 september 1992

ECLI:NL:HR:1992:ZC5099Zaaknummer 28469

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 september 1992
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
28469
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bodemverontreiniging.

Volledige tekst

Hoge Raad der Nederlanden

Derde kamer

nr. 28.469

16 september 1992

SK

Arrest

Gewezen op het beroep in cassatie van het Hoofd van de sector vorderingen en incasso van de gemeente [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 4 september 1991 betreffende na te melden aan

[X] te [Z]

voor het jaar 1984 opgelegde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente [Z].

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof.

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1984 wegens het genot krachtens zakelijk recht en het feitelijk gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z], op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente [Z] opgelegd naar een heffingsgrondslag van ƒ 119.000,--, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Direkteur van de Dienst Financiën van de gemeente [Z] zijn gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de direkteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslagen verminderd tot bedragen berekend naar een heffingsgrondslag van f 59.500,--.

2. Geding in cassatie.

Het Hoofd heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.

Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten.

3.1 Het Hof heeft het volgende vastgesteld: Belanghebbende had op 1 januari 1984 het genot krachtens zakelijk recht en het feitelijk gebruik van een woning, welke lag in een wijk waar op 1 januari 1982 - de peildatum - in de grond giftige stoffen aanwezig waren.

3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de onderhavige verontreiniging een factor is die in het economische verkeer van belang is. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat met die factor rekening dient te worden gehouden bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer als bedoeld in artikel 273, derde lid, van de gemeentewet. Dat oordeel is juist. De klacht onder 2 die uitgaat van een andere opvatting faalt derhalve.

3.3 De klachten onder 1, 3, 4, 5 en 6 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer Mijnssen als voorzitter, en de raadsheren Urlings en Herrmann in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Zandhuis, in raadkamer van 16 september 1992.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.