Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 3 december 1894
ECLI:NL:HR:1894:1Zaaknummer 251
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 3 december 1894
- Publicatiedatum
- 14 april 2025
- Zaaknummer
- 251
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
conclusie niet meer voorhanden
Volledige tekst
Nº251.
De Hooge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van:
1º. den Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Leeuwarden, requirant van cassatie tegen een arrest van dat Gerechtshof van 21 Juni 1894, waarbij, met vernietiging van het vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Groningen van 26 April 1894, waarvan was geappelleerd, de gerequireerden [gerequireerde 1], volgens zijne opgave oud 33 jaren, van beroep letterzetter, geboren te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [gerequireerde 2], volgens zijne opgave oud 39 jaren, van beroep corrector van drukproeven, geboren en wonende te [woonplaats], en [gerequireerde 3], volgens zijne opgave oud 30 jaren, journalist van beroep, geboren te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], zijn schuldig verklaard aan het misdrijf van deelneming aan eene bij de wet verboden vereeniging, gepleegd door drie vereenigde bestuursleden, en te dier zake, met toepassing van de artikelen 140, tweede en derde lid, 23 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 3, aanhef en sub 1°. der wet van 22 April 1855 (Staatsblad Nº. 32), benevens artikel 239 in verband met de artikelen 214, 215, 247 en 264 van het Wetboek van Strafvordering, veroordeeld - de eerste en derde op tegenspraak, de tweede bij verstek - ieder tot eene geldboete van vijftig gulden, bij gebreke van betaling binnen twee maanden nadat dit arrest kan worden ten uitvoer gelegd, te vervangen door hechtenis van tien dagen, en hoofdelijk verwezen in de kosten van beide instantiën, invorderbaar ook bij lijfsdwang, waarvan de langste duur wordt bepaald op vier dagen voor ieder, met bepaling dat de kosten van het verstek in beide instantiën zullen blijven ten laste van den tweeden gerequireerde;
2°. den eersten en den derden gerequireerde, mede-requiranten van cassatie tegen voormeld arrest;
Gehoord het verslag van den Raadsheer de Pinto; Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan de gerequireerden beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie: Schending, door niet toepassing, van artikel 140, alinea 1 en 3, van het Wetboek van Strafrecht;
Gehoord den raadsman van den eersten en den derden gerequireerde in zijne bestrijding van dit middel;
Verder gelet op het middel, namens de mederequiranten voorgesteld bij pleidooi; Schending, deels door niet toepassing, deels door verkeerde toepassing, van de artikelen 1 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, 143, 211, 216, 221, 253 en 257 van het Wetboek van Strafvordering, benevens de artikelen 2 en 3 der wet van 22 April 1855 (Staatsblad N°. 32);
Gehoord den Advocaat-Generaal Gregory, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, daartoe strekkende, dat de Hooge Raad, met verwerping van het beroep der gerequireerden, het beklaagde arrest zal vernietigen, doch alleen voor zoover betreft de aan de bewezen verklaarde strafbare feiten gegeven qualificatie en de opgelegde straf, en, alleen te dien opzichte ten principale recht doende, die feiten zal qualificeeren als deelneming aan eene vereeniging die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, gepleegd door drie vereenigde bestuurders, en de drie gerequireerden ieder zal veroordeelen tot eene gevangenisstraf van twee maanden, alsmede in de kosten;
I Op het beroep van den requirant:
Overwegende, dat ten laste der gerequireerden in de dertiende en veertiende overwegingen van het bestreden arrest als bewezen is aangenomen:
A dat zij als leden van den sociaal democratischen bond in Nederland op 24, 25 en 26 December 1893 in het gebouw "de Toekomst" te Groningen, op welke dagen aldaar werd gehouden het jaarlijksch congres van de leden, afgevaardigden van genoemden bond, te zamen en met elkander opzettelijk zijn opgetreden, de eerste als voorzitter en lid van het hoofdbestuur (den centralen raad) van dien bond en in die hoedanigheid de op die dagen aldaar gehouden vergaderingen heeft geleid, de tweede als secretaris en lid van datzelfde bestuur, de derde op 25 December als tijdelijk waarnemend secretaris en lid van dat bestuur, beiden in die hoedanigheid, ieder voor zooveel hem betreft, belast geweest, en daaraan ook hebben voldaan, met het houden van aanteekeningen van het op die vergaderingen verhandelde, de tweede bovendien met het uitbrengen van het jaarverslag van genoemden bond over 1893, en mitsdien ieder in zijne genoemde hoedanigheid opzettelijk hebben deelgenomen aan de op die dagen in die vergaderingen van genoemd congres verrichte werkzaamheden van den sociaal democratischen bond in Nederland;
B. dat op het op 25 December 1892 te Zwolle gehouden congres van leden, afgevaardigden der afdeelingen van den sociaal democratischen bond in Nederland een besluit (motie) is aangenomen van den volgenden inhoud:
"De sociaal democratische partij is eene revolutionaire partij, omdat zij zich plaatst op het standpunt, dat alleen afschaffing van het privaat bezit een einde kan maken aan de wanverhoudingen.
Voor het proletariaat toch is eene duurzame verbetering op den grondslag der tegenwoordige maatschappij niet mogelijk.
De taktiek der sociaal democratische partij is verder een revolutionaire, omdat zij niet gelooft in het geleidelijk ingroeien der bestaande maatschappij in eene socialistische, maar de omverwerping der bestaande maatschappelijke orde beoogt met alle haar ten dienste staande onwettelijke of wettelijke (onwettige of wettige), vredelievende of gewelddadige middelen";
welk besluit (motie) in Januari en Februari 1893 door de meerderheid van de leden der afdeelingen van dien bond is goedgekeurd (referendum) en voor dien bond verbindend (geldig) is geworden;
Overwegende, dat in de twee en twintigste overweging van het bestreden arrest is aangenomen, dat deze bewezen verklaarde feiten opleveren het misdrijf van deelneming aan eene bij de wet verboden vereeniging, gepleegd door drie vereenigde bestuursleden, waarop straf is gesteld bij artikel 140, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht in verband met de artikelen 2 en 3, aanhef en Nº. 1, der wet van 22 April 1855 (Staatsblad Nº. 32);
dat voorts nog met betrekking tot de qualificatie in de drie en twintigste overweging van het arrest is beslist: "dat de bewezen verklaarde feiten bij dagvaarding ten onrechte mede zijn beschouwd als op te leveren het misdrijf van deelneming aan eene vereeniging, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij het eerste lid van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht";
Overwegende, dat hiertegen is gericht het middel van cassatie;
Overwegende daaromtrent, dat het op zich zelf is weinig aannemelijk, met het oog op de blijkbare tegenstelling tusschen het eerste en het tweede lid van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, dat eene in het tweede lid bedoelde, bij de wet van 22 April 1855 (Staatsblad Nº. 32) verboden vereeniging tevens zoude vallen onder het bereik van het eerste lid als eene vereeniging, waaraan de deelneming bij het Wetboek zelf strafbaar wordt gesteld;
dat dan ook dit eerste lid, volgens zijn woordelijken inhoud, niet toepasselijk is op deelneming aan de vereeniging, waarvan de strekking volgens 's Hofs feitelijke beslissing vaststaat;
dat toch volgens deze beslissing die vereeniging, niet in het leven geroepen, niet opgericht of ingericht tot het plegen van misdrijven, dit alzoo ook niet tot naaste doel heeft;
dat nu de uitdrukking "oogmerk" in artikel 140, eerste lid, evenals in het zeer groot aantal andere artikelen van het Wetboek waarin zij voorkomt, in overeenstemming met haar taalkundige beteekenis en den daarvan aan het slot van §5 der Algemeene Beschouwingen van de Memorie van Toelichting aangegeven zin, steeds te kennen geeft het "naaste doel" der handeling, met andere woorden het doel, dat men bepaald beoogt, als men haar verricht;
dat derhalve, om deelneming aan eene vereeniging te doen vallen onder artikel 140, eerste lid, het niet voldoende is, dat die vereeniging zich een einddoel voorstelt, dat onder zekere omstandigheden alleen bereikt kan worden door het plegen van misdrijven, maar dat daarentegen voor de toepasselijkheid dezer strafbepaling wordt vereischt dat de vereeniging, in het leven geroepen of feitelijk werkzaam om misdrijven te plegen, dit ook tot oogmerk of naaste doel heeft;
Overwegende, dat deze op de woorden der strafbepaling berustende verklaring steun vindt in hare geschiedenis;
dat toch ter toelichting van artikel 149 (thans artikel 140) van het oorspronkelijk
Regeeringsontwerp ten aanzien van het eerste lid werd gezegd, dat, vermits het "complot" reeds was strafbaar gesteld bij de artikelen 103 (thans 96) en 111 (thans 103), "hier bepaald in aanmerking (komt) de "association de malfaiteurs envers les personnes ou les propriétés"(art. 265 van den Code Pénal), wat juister zoude zijn uitgedrukt door: "eene vereeniging die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven waardoor de veiligheid van personen of goederen wordt aangerand";
dat nu de beperking tot sommige categorieën van misdrijven, die opgesloten ligt in de laatste woorden, later wel verviel op verlangen van de Commissie van Rapporteurs der Tweede Kamer, maar dat daardoor geen verandering werd gebracht in het vereischte, dat eene vereeniging, om de deelneming daaraan ingevolge artikel 140, eerste lid, strafbaar te doen zijn, evenals de "association de malfaiteurs", moet zijn op- of ingericht om misdrijven, zij het dan ook niet bepaald meer in het Wetboek omschreven misdrijven, te plegen;
Overwegende mitsdien, dat het door den requirant voorgestelde middel is ongegrond; II. Op het beroep der
mederequiranten:
Overwegende, dat bij het ter ondersteuning daarvan voorgestelde middel wordt beweerd, dat de daarbij aangehaalde artikelen zijn geschonden:
1º. doordien het Hof zonder motiveering en zulks in strijd met de duidelijke beteekenis der woorden heeft aangenomen:
a. dat het woord "motie" dezelfde beteekenis heeft als het woord "besluit";
b. dat het woord "geldig" dezelfde beteekenis heeft als het woord "verbindend";
c. dat de woorden "wettig en onwettig" dezelfde beteekenis hebben als de woorden "wettelijk en onwettelijk";
2°. doordien het Hof, in aanmerking nemende dat artikel 15 van het Reglement van den bond bepaalt dat congresbesluiten niet geldig zijn, tenzij door het referendum goedgekeurd, uit het feit dat het bestuur van den bond ook de motie aan het referendum onderwierp, de onjuiste gevolgtrekking maakt, dat dus de motie moet geacht worden een congresbesluit te zijn geweest;
3º. doordien het Hof - ten onrechte aannemende dat de middelen die krachtens de motie door den bond zullen worden aangewend, ongehoorzaamheid aan, of overtreding van de wetten zullen in het leven roepen en dus strijdig zijn met de openbare orde - de wet van 22 April 1855 (Staatsblad Nº. 32) toepasselijk acht, die de middelen geheel onvermeld laat, maar alleen van "het doel" het al of niet strafbare afhankelijk maakt;
4º. doordien het Hof heeft voorbijgezien dat in de motie tot geen enkel bepaald strafbaar feit wordt aangespoord en de verplicht stricte uitlegging van de strafwet den rechter niet toelaat bij de toepassing gebruik te maken van abstracte redeneeringen en gevolgtrekkingen, om daaruit strafbare feiten als ten laste gelegd aan te nemen, zijnde zelfs in casu door het Hof geen enkele wet genoemd, waaraan de ongehoorzaamheid of waarvan de overtreding zou zijn bedoeld geworden; 5°. doordien het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de inhoud der motie in de bewoordingen waarin die is gesteld de vereeniging maakt tot eene welke strijdig moet worden geacht met de openbare orde;
Wat den eersten grond betreft:
Overwegende, dat deze geldt de zestiende overweging van het arrest, waarin is uitgedrukt, dat "naar 's Hofs oordeel, de dagvaarding zoo behoort te worden opgevat, dat de daarin tusschen twee haakjes geplaatste woorden "motie", "referendum", "geldig" en "onwettige of wettige" tegenover deze beklaagden, blijkens den inhoud van de ten processe aanwezige, in eersten aanleg ter openbare terechtzitting voorgelezen bescheiden, dezelfde beteekenis hebben als de daaraan telkens onmiddellijk voorafgaande woorden: "besluit", "goedgekeurd", "verbindend" en "onwettelijke of wettelijke";"
dat deze overweging blijkbaar alleen bevat eene uitlegging der dagvaarding - hier in verband met die van andere processtukken -, terwijl door zoodanige uitlegging, als zijnde van zuiver feitelijken aard, geen der bij het middel aangehaalde artikelen is, noch kan zijn geschonden; Ten aanzien van den tweeden grond:
Overwegende, dat deze mede betreft eene feitelijke beslissing, nedergelegd in de achttiende overweging van het arrest, terwijl, ook al mocht het Hof ten onrechte hebben aangenomen, dat de Zwolsche motie van 25 December 1892, door het bestuur aan de goedkeuring der leden van de afdeelingen onderworpen en door hare meerderheid goedgekeurd, te beschouwen was als een congresbesluit, bedoeld bij artikel 15 van het reglement van den sociaal-democratischen bond in Nederland, daardoor niet de wet, maar dit reglement onjuist zoude zijn opgevat of verkeerd zoude zijn toegepast, wat in geen geval zoude kunnen leiden tot cassatie van 's Hofs beslissing;
Wat aangaat den derden, den vierden en den vijfden grond:
Overwegende, dat deze, als alle betreffende de qualificatie, door het Hof aan de bewezen verklaarde feiten gegeven, vatbaar zijn voor gezamenlijke behandeling;
Overwegende daaromtrent, dat het Hof met juistheid heeft beslist, dat eene vereeniging, die als einddoel beoogt niet de hervorming of verandering van bestaande toestanden langs wegen, door de Grondwet of de wet aangewezen, maar "de omverwerping der bestaande maatschappelijke orde met alle haar ten dienste staande" - ook "onwettige" en "gewelddadige" - "middelen", uit haar aard is eene met de openbare orde strijdige vereeniging, bepaaldelijk eene zoodanige, die valt onder de omschrijving van artikel 3, sub primo, der wet van 22 April 1855 (Staatsblad Nº. 32);
Overwegende, dat te vergeefs hiertegen wordt aangevoerd, dat deze wetsbepaling de middelen geheel onvermeld laat, maar als kenmerk der verboden vereeniging aangeeft, dat zij tot doel heeft ongehoorzaamheid aan of overtreding van de wet of eene wettelijke verordening;
dat toch waar bij de omschrijving van het einddoel der vereeniging op den voorgrond wordt gesteld, dat haar taktiek is eene revolutionaire en zij dan ook niet zal schromen ter bereiking van dat einddoel ook die middelen aan te wenden, zonder welke het niet wel bereikbaar is, - namelijk onwettige en gewelddadige - het niet twijfelachtig is, dat zij, middellijk of onmiddellijk, ongehoorzaamheid aan, of overtreding van de wet tot doel heeft;
Overwegende, dat hierin geen verandering wordt gebracht door de omstandigheid, dat in de motie, door de goedkeuring der afdeelingen, gelijk feitelijk is beslist, een besluit der vereeniging geworden, tot geen enkel bepaald strafbaar feit wordt aangespoord, daar voor het wezen eener uit kracht van artikel 3 Nº. 1 in verband met artikel 2 der wet van 22 April 1855 verboden vereeniging niet noodig is, dat zij tot doel heeft de ongehoorzaamheid aan of overtreding van bepaalde wettelijke voorschriften, maar het daartoe voldoende is, dat zij zich voorstelt gehoorzaamheid te weigeren aan de wet, die der bereiking van haar einddoel in den weg staat, of die wet te overtreden;
Overwegende, dat, vermits uit al het voorafgaande volgt, dat de aard van den sociaal- democratischen bond, gelijk deze, volgens de in cassatie vaststaande feitelijke beslissing, blijkt uit de door het "referendum" goedgekeurde motie, dien bond doet kennen als eene met de openbare orde strijdige vereeniging, eene afzonderlijke wederlegging van het vijfde en laatste onderdeel van het namens de mederequiranten voorgestelde middel onnoodig is;
Gezien artikel 370 van het Wetboek van Strafvordering;
Verwerpt de beide beroepen;
de kosten in cassatie gevallen te dragen door den Staat.
Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heeren Mrs. Coninck-Liefsting, Vice-President, de Pinto, Clant van der Mijll, Hanlo, de Ranitz, Gulje en van Stipriaan-Luiscius, Raden, benevens den Griffier van der Jagt die dit arrest hebben onderteekend, en door den Vice-President in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren uitgesproken ter openbare terechtzitting van den derden December 1800 vier en negentig.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 214 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 215 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 247 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 264 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 140 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 370 Sv meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.