Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 oktober 2026

ECLI:NL:GHSHE:2026:2876Zaaknummer 20-003059-25

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
20-003059-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. J.C. Gillesse, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. W.F. Koolen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,

en op 9 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
  2. ’s-Hertogenbosch
  3. Beslagene
  4. Volgnummer 1
  5. Volgnummer 2
  6. Volgnummer 3
  7. BESLISSING

Parketnummer: 20-003059-25

Uitspraak: 9 oktober 2026

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 november 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-140580-25 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van gronden.

Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met verbetering van gronden en vervanging van de bewijsoverweging waarop het berust.

Aanvulling van de bewijsmiddelen

- De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 20 juni 2024 (pg. 13-14):

Beslagene

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Volgnummer 1

Goednummer: PL2000-2024154138-2739179

Spoor identificatienr.: AARC8493NL

Bijzonderheden: van bronpartij goednummer 2739084, sealbag 92190530

Volgnummer 2

Goednummer: PL2000-2024154138-2739181

Spoor identificatienr.: AARC8494NL

Bijzonderheden: van bronpartij goednummer 2739084, sealbag 92190626

Volgnummer 3

Goednummer: PL2000-2024154138-2739182

Spoor identificatienr.: AARC8491NL

Bijzonderheden: van bronpartij goednummer 2739084, sealbag 92190533

Vervanging van de bewijsoverweging onder 4.3.2 van het vonnis

De verdachte is op 19 juni 2024, rijdend in een Citroen Jumpy voorzien van het kenteken

[kenteken] op de A16 tussen Breda en de Belgische grens, ter hoogte van verzorgingsplaats [locatie], ter controle staande gehouden door de politie. Nadat de verdachte kenbaar heeft gemaakt dat hij het voertuig gebruikt voor zijn werkzaamheden als schoonmaker en bouwvakker en dat hij daarvoor spullen in het voertuig heeft staan, stapt verdachte uit en opent vrijwillig de achterdeuren van het voertuig. Bij raadpleging van de politiesystemen bleek dat het voertuig geregistreerd stond in verband met een onderzoek naar verdovende middelen op 15 juni 2024. De politie doorzoekt vervolgens met toestemming van de verdachte het voertuig en treft drie dozen aan voorzien van labels met daarop Chinees schrift. In de dozen bevinden zich plastic zakken met wit poeder met ieder een gewicht van, naar later blijkt, ongeveer 20 kilogram. Als een scan wordt gemaakt van de sticker voorzien van Chinese tekens die op één van de dozen is geplakt, komt uit de vertaling naar voren dat de plastic zakken “Polyvinylpyrrolidon” bevatten, zijnde een stof die gebruikt wordt als een bindmiddel of stabilisator voor tabletten of om voedingswaren een glanzend uiterlijk te geven.

Op vragen van de opsporingsambtenaren ter plaatse van de controle heeft de verdachte geantwoord dat hij niet wist wat er in de dozen zat en heeft erop aangevuld dat er geen cocaïne in zat. Hij verklaarde dat hij ze had opgehaald en dat hij ze moest brengen naar een vriend genaamd [betrokkene] in Turnhout. De dozen waren afkomstig van RSL Cleaning. Op de vraag waarom zijn vriend [betrokkene] die dozen nodig heeft, antwoordt de verdachte dat hij dat niet weet en dat hij de dozen daar stalt voor zichzelf.

In het verhoor door de politie op 20 juni 2024 heeft de verdachte vervolgens verklaard dat de inhoud van de dozen (het witte poeder) met schoonmaakmiddelen te maken zou hebben en dat het gebruikt kan worden bij het maken van osmosewater dat door de verdachte – verdachte heeft een schoonmaakbedrijf – gebruikt wordt in de glazenwasserij (osmosewater is gezuiverd water dat gebruikt kan worden om streeploos ramen te wassen). De verdachte heeft verklaard het poeder te hebben besteld in China via Ali Express of Ali Baba, waarna het vervolgens door FedEx bij hem werd bezorgd. De verdachte heeft echter geen account of bevestigingsmail met betrekking tot die bestelling ontvangen. Hij verklaart ook geen gegevens nodig te hebben om de kosten zakelijk te kunnen aftrekken, aangezien hij nog aan het testen was of het middel goed werkte. De verdachte heeft ongeveer € 180,00 betaald voor het poeder.

Na onderzoek blijkt de inhoud van de drie dozen (het witte poeder) de stof procaïne te bevatten. Bij navraag bij het team Landelijke Faciliteit Ontmanteling van de Landelijke Eenheid van de politie bleek dat procaïne niet kan worden gebruikt bij de vervaardiging van osmosewater, dat het een kortwerkend plaatselijk verdovingsmiddel is dat nauwelijks nog wordt toegepast, maar in relatie tot harddrugs bekend is als een versnijdingsmiddel voor cocaïne.

De raadsman heeft in hoger beroep het verweer gevoerd dat zijn client geen opzet had ter zake van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen.

Het hof stelt het volgende voorop.

Ook al bevat de delictsomschrijving van artikel 10a, eerste lid Opiumwet niet de term ‘opzet’, voor een bewezenverklaring is vereist dat bij de verdachte het opzet heeft bestaan op het voorbereiden of bevorderen van de in artikel 10, vierde of vijfde lid van de Opiumwet bedoelde misdrijven, door – zoals in casu – het voorhanden hebben van een vervoermiddel en stoffen waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van bedoelde misdrijven. De door de verdachte verrichte voorbereidings- of bevorderingshandelingen dienen aldus niet alleen geschikt te zijn om de – in casu – in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet bedoelde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, de verdachte zal zich ook van het karakter van die handelingen bewust moeten zijn.[_5b167394-0953-417e-bff3-b956355dc958] Dit brengt met zich dat het weliswaar niet noodzakelijk is dat de tenlastelegging de term ‘opzet’ bevat, maar uit de bewijsvoering moet wel volgen dat sprake is van opzet op de voorbereiding of bevordering van een feit als bedoeld in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet en de daartoe verrichte gedragingen.

Het hof overweegt dat de verklaringen van de verdachte meerdere tegenstrijdigheden bevatten. De verdachte heeft eerst verklaard dat de dozen afkomstig waren van RSL Cleaning en vervolgens dat hij deze zelf besteld heeft. Verder heeft de verdachte toen hij aan de kant werd gezet door de politie in eerste instantie verklaard dat hij de dozen naar zijn vriend [betrokkene] moest brengen. Vervolgens verklaart verdachte dat hij niet weet waarom de vriend de dozen nodig heeft, maar dat hij de dozen daar stalt voor zichzelf. Dat strookt niet met zijn eerdere antwoord dat hij de dozen heeft opgehaald en moest wegbrengen naar zijn vriend [betrokkene]. Vervolgens heeft de verdachte verklaard dat hij de dozen zakelijk zou hebben besteld voor zijn werkzaamheden als schoonmaker. Hij kan daarvan echter geen gegevens overleggen, omdat hij nog aan het testen is of het werkt. Na een verdiepingsonderzoek rondom procaïne en de functie ter verkrijging van osmosewater blijkt dat er geen osmosewater gemaakt kan worden van procaïne en de stof derhalve niet bruikbaar is bij de vervaardiging van het schoonmaakmiddel.

Het hof oordeelt dat de verschillende verklaringen van de verdachte over het voorhanden hebben en het gebruik van de procaïne, gelet op alle bovenstaande tegenstrijdigheden, slechts ter verhulling gelden van de werkelijke reden van het voorhanden hebben van de procaïne. Het hof overweegt dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist wat de bestemming was van de stoffen, zodat hij het nodig achtte om te verhullen wat hij eigenlijk vervoerde. Gelet op al het vorenoverwogene in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat naar de uiterlijke verschijningsvorm de verdachte het opzet had op het tenlastegelegde en zich dus bewust was van het voorhanden hebben van de stoffen en het vervoermiddel waarin deze zich bevonden, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van bedoelde misdrijven.

Verbetering en aanvulling van de strafmotivering

In aanvulling op hetgeen door de rechtbank is overwogen aangaande de opgelegde straf overweegt het hof als volgt.

Door de raadsman is naar voren gebracht dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte nopen tot een andere straf dan door de rechtbank is opgelegd.

Het hof overweegt dat de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter terechtzitting is verschenen. Namens de verdachte is beide keren aangevoerd dat de verdachte is gaan werken in plaats van te verschijnen ter terechtzitting. De verdachte heeft zodoende niet ter terechtzitting zelf zijn persoonlijke omstandigheden toe kunnen lichten. Het hof hecht er grote waarde aan om met de verdachte rechtstreeks in gesprek te gaan over hetgeen hem tenlastegelegd is en daaruit ook zich een goed beeld te kunnen vormen over verdachtes persoonlijke omstandigheden. Nu dit niet heeft plaatsgevonden, ziet het hof geen aanleiding om in strafmatigende zin – anders dan uit de strafoverweging van de rechtbank blijkt – rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals door de raadsman is aangevoerd.

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. J.C. Gillesse, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. W.F. Koolen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,

en op 9 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

  1. Kamerstukken II 1982/83, 17 975, nr. 3, p 12; Kamerstukken I 1982/83, 17 975, nr. C, p. 6 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945, rov. 3.4.2.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.