Uitspraak · Belastingrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 september 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2665Zaaknummer 24/1157 tot en met 24/1167
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/1157 tot en met 24/1167
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
(Navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Schending van artikel 8:42 Awb is aanleiding om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Partijen zijn het eens dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Het hof volgt partijen in dit eensluidende standpunt. Dat betekent dat voor de jaren 2013 tot en met 2017 de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende doet niet blijken dat de (navorderings)aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Het hof oordeelt dat de inspecteur van een redelijke schatting is uitgegaan. Het hof acht de boetes passend en geboden. Belanghebbende heeft niet bewezen dat zijn huidige financiële omstandigheden nopen tot vernietiging dan wel vermindering van de boeten. Na vermindering van de boetes door de rechtbank, ziet het hof geen reden om de boetes verder te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 4.203.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, A.J. Kromhout en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van V.J. Weekers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
V.J. Weekers C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1157 tot en met 24/1167
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende],
wonend in [woonplaats],
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 juli 2024, nummers BRE 22/3898 tot en met 22/3904, BRE 22/3906, BRE 22/3914, BRE 22/4048 en BRE 22/4049, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2011 en 2013 tot en met 2017 opgelegd. Ook heeft hij (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) over de jaren 2013 tot en met 2017 opgelegd. Tevens is telkens bij beschikking heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikking boeten opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV over de jaren 2016 en 2017 en de daarbij behorende rente- en boetebeschikkingen gegrond verklaard. De overige bezwaren heeft hij ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen voor zover deze zien op de boeten opgelegd bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2017 gegrond verklaard en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Belanghebbende heeft om uitstel verzocht voor de zittingen van 5 maart 2026 en 30 april 2026. Het hof heeft deze uitstelverzoeken toegewezen. Belanghebbende heeft uitstel verzocht voor de zitting van 3 juli 2026. Het hof heeft dat uitstelverzoek afgewezen, maar belanghebbende de gelegenheid geboden om in het kader van het vooronderzoek onder leiding van raadsheer-commissaris A.J. Kromhout zijn persoonlijke en financiële omstandigheden toe te lichten. Deze zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026 in
’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde], en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 1 juli 2026 in Mijn Rechtspraak is geplaatst.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde], en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 3].
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek geschorst om belanghebbende gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op een ter zitting door de inspecteur overgelegd stuk. Belanghebbende heeft zijn reactie op dit stuk op 19 augustus 2026 ingediend. Vervolgens heeft het hof het onderzoek op 26 augustus 2026 gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is vanaf medio 2012 enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap [bedrijf] BV. In de periode vanaf medio 2015 tot en met medio 2018 heeft belanghebbende daarnaast een onderneming in de vorm van een eenmanszaak gedreven. Belanghebbende heeft tevens een aanmerkelijk belang (gehad) in een Duitse en een Belgische vennootschap. Van de Duitse vennootschap heeft belanghebbende in 2016 en 2017 (ook) looninkomsten genoten.
Belanghebbende is uitgenodigd om aangifte IB/PVV en Zvw voor de jaren 2013 tot en met 2017 te doen. Belanghebbende heeft de betreffende aangiften ingediend, resulterend in de volgende verzamelinkomens:
| Jaar | Verzamelinkomen |
| 2013 | € -35.107 |
| 2014 | € -18.217 |
| 2015 | € 16.056 |
| 2016 | € 14.007 |
| 2017 | € 37.198 |
De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2013 tot en met 2015 overeenkomstig de ingediende aangiften opgelegd, waarbij hij het verlies over het jaar 2014 heeft verrekend met de definitieve aanslag IB/PVV 2011.
Medio 2017 zijn het Openbaar Ministerie, de politie en de Belastingdienst in een samenwerkingsverband genaamd Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) een onderzoek, casus [naam 1], gestart. Aanleiding van het onderzoek was het vermoeden dat belanghebbende, samen met anderen, op grote schaal en in een crimineel samenwerkingsverband hennep produceert, verkoopt en zich schuldig maakt aan witwassen. In de RIEC-casus [naam 1] zijn de volgende strafrechtelijke onderzoeken betrokken:
- [naam 2]: een strafrechtelijk onderzoek gericht op hennepkweeklocaties, waaronder één in [plaats 1] en één in [plaats 2];
- [naam 3]: een strafrechtelijk onderzoek gericht op het criminele samenwerkingsverband;
- [naam 4]: een strafrechtelijk financieel onderzoek.
Op 20 maart 2017 is in een loods in [plaats 1] een hennepkwekerij aangetroffen. De hennepkwekerij bevindt zich in een gierkelder en bestaat uit vier compartimenten. In totaal treft de politie 1.528 hennepplanten aan. De hennepplanten bevinden zich in verschillende groeistadia per compartiment. In de gierkelder zijn hennepresten aanwezig. In de hennepkwekerij wordt CO2 toegevoegd aan de hennepplanten via vier watergekoelde airconditioners, twee CO2 generatoren, twee CO2 controllers en twee CO2 sensoren.
Op 12 oktober 2017 heeft de politie in een loods van een voormalig
champignonkwekerij in [plaats 2] een hennepkwekerij aangetroffen. In de loods zijn zogenaamde cellen aangetroffen. In cel 8 en 9 staan 172 plantenbakken per cel vol met hennepplanten.
De inspecteur heeft op grond van artikel 55 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) op 31 augustus 2017 en op 18 maart 2019 de Officier van Justitie verzocht om gegevens en inlichtingen uit de strafrechtelijke onderzoeken aan hem te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van (onder meer) belanghebbende.
De inspecteur heeft bij belanghebbende een onderzoek ingesteld naar (onder meer) de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2013 tot en met 2017. De bevindingen van het onderzoek zijn in twee controlerapporten vastgelegd. Het eerste controlerapport, dat ziet op de jaren 2013 tot en met 2015, is met dagtekening 2 oktober 2019 aan belanghebbende verzonden. De inspecteur heeft daarbij aangekondigd dat hij voornemens is om navorderingsaanslagen en boetes op te leggen. Het controlerapport bevat onder meer de volgende opstellingen van contante inkomsten en uitgaven van belanghebbende en zijn gezin in de jaren 2013 tot en met 2015 (de kasopstellingen):
| 2013 | 2014 | 2015 | |
| Contante inkomsten Contante uitgaven | € 93.210 € 170.527 | € 26.247 € 359.299 | € 82.821 € 211.620 |
| Saldo | € -77.317 | € -333.052 | € -128.799 |
De kasopstellingen zijn gebaseerd op de inkomsten die belanghebbende en zijn gezin volgens de uitkomsten van de strafrechtelijke onderzoeken hebben gehad en op de uitgaven die belanghebbende en zijn gezin volgens diezelfde onderzoeken hebben gedaan ten aanzien van vervoermiddelen, paarden, luxe goederen, feesten en partijen, privé kasmutaties van de onderneming en de vennootschappen, privé genoten huurinkomsten, aan- en verkoop van onroerend goed, vakanties, voeding en kleding, overige uitgaven en bankopnamen en -stortingen. De betreffende kasopstellingen zijn gebaseerd op de in beslag genomen fysieke en digitale administratie, getuigenverklaringen en facturen en betalingsbewijzen bij derden.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur over de jaren 2013 tot en met 2015 het verzamelinkomen als volgt gecorrigeerd:
| Jaar | Verzamelinkomen aanslag | ROW | Verzamelinkomen navorderingsaanslag |
| 2013 | € -35.107 | € 77.317 | € 42.210 |
| 2014 | € -18.217 | € 333.052 | € 314.835 |
| 2015 | € 16.056 | € 128.799[_0700c44a-2f02-4058-b508-8256a5448260] | € 144.855 |
De inspecteur heeft vervolgens de volgende (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw alsmede boete- en rentebeschikkingen, opgelegd.
| Zaaknr. | Jaar | Omschrijving | Belasting | Rente | Boete |
| 24/1157 | 2011 | Navorderingsaanslag IB/PVV | € 12.920 | € 1.660 | n.v.t. |
| 24/1158 | 2013 | Navorderingsaanslag IB/PVV | € 10.877 | € 2.367 | € 10.877 |
| 24/1159 | 2013 | Navorderingsaanslag Zvw | € 2.665 | € 580 | n.v.t. |
| 24/1160 | 2014 | Navorderingsaanslag IB/PVV | € 150.802 | € 26.909 | € 150.802 |
| 24/1161 | 2014 | Navorderingsaanslag Zvw | € 2.776 | € 493 | n.v.t. |
| 24/1162 | 2015 | Navorderingsaanslag IB/PVV | € 54.566 | € 7.560 | € 54.607 |
| 24/1163 | 2015 | Navorderingsaanslag Zvw | € 461 | € 63 | n.v.t. |
In de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 ligt besloten dat de verliesvaststellingsbeschikking van dat jaar is herzien naar een vast te stellen verlies van nihil. Als gevolg daarvan is de verrekening van het eerder vastgestelde verlies met het jaar 2011 teruggenomen en heeft de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 opgelegd.
Belanghebbende is op 17 maart 2020 door de rechtbank Oost-Brabant onder meer veroordeeld voor het telen van hennep in [plaats 1] en [plaats 2], voor diefstal van stroom, en voor het als leider hebben deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om hennepkwekerijen te exploiteren. De rechtbank acht onder meer bewezenverklaard dat belanghebbende:
‘(1.) in de periode van 2 november 2015 tot en met 19 februari 2018 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, (…), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet, namelijk het in de uitoefening van een bedrijf of beroep opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken en/of vervoeren van grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl hij, verdachte, leider van deze organisatie was:
(2.) in de periode van 25 mei 2016 tot en met 20 maart 2017 te [plaats 1], gemeente Peel en Maas, in een loods aldaar gelegen aan [adres 1], meermalen, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in de uitoefening van een beroep of bedrijf, telkens opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd:
(3.) in de periode 30 november 2016 tot en met 20 maart 2017 te [plaats 1], gemeente Peel en Maas, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis Netbeheer B.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking:
(4.) in de periode 23 maart 2017 tot en met 12 oktober 2017 te [plaats 2], gemeente Deurne, in een loods aldaar gelegen aan [adres 2], meermalen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, telkens opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd:
(…)’
Belanghebbende is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tweeënveertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk. Tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant is hoger beroep ingesteld. Ter zitting voor het hof heeft gemachtigde van belanghebbende verklaard dat belanghebbende ook door de strafkamer van het gerechtshof ‘’s-Hertogenbosch is veroordeeld, maar dat hem wel een lagere straf is opgelegd. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. Het hof heeft gemachtigde verzocht om toezending van een kopie van het arrest van de strafkamer van het gerechtshof. De gemachtigde heeft dit arrest echter niet overgelegd zodat het geen onderdeel uitmaakt van de gedingstukken.
Met dagtekening 23 juni 2020 heeft de inspecteur het tweede controlerapport, dat ziet op de jaren 2016 en 2017, naar belanghebbende verzonden. De inspecteur heeft daarbij aangekondigd dat hij voornemens is af te wijken van de ingediende aangiften en dat hij tevens voornemens is boetes op te leggen. Het controlerapport bevat onder meer de volgende opstellingen van contante inkomsten en uitgaven van belanghebbende en zijn gezin (de kasopstellingen):
| 2016 | 2017 | |
| Contante inkomsten Contante uitgaven | € 45.954 € 156.682 | € 56.973 € 143.799 |
| Saldo | € -110.728 | € -88.826[_e9f416a7-6b82-401f-821f-fcb4870a5619] |
Deze kasopstellingen zijn gebaseerd op dezelfde uitgavencategorieën en informatiebronnen als die zijn gebruikt voor de kasopstellingen over de jaren 2013 tot en met 2015 (zie 2.8).
Op basis van die gegevens (over 2016 en 2017) heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende niet de vereiste aangiften IB/PVV heeft gedaan. De inspecteur heeft vervolgens het niet-aangegeven inkomen van belanghebbende geschat op basis van de opbrengsten van de hennepkwekerijen in [plaats 1] en [plaats 2] zoals berekend in de berekening van het wederrechtelijk voordeel in de strafrechtelijke onderzoeken. Daarin is geconcludeerd dat belanghebbende in de jaren 2016 en 2017 in totaal 26 oogsten uit de hennepkwekerij in [plaats 1] en 4 oogsten uit de hennepkwekerij in [plaats 2] heeft gehad, met een opbrengst van in totaal € 1.925.984 over het jaar 2016 en van in totaal € 1.124.984 over het jaar 2017.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2016 en 2017 afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangiften. De inspecteur heeft de hiervoor genoemde opbrengsten van de hennepoogsten als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen en heeft vervolgens de volgende aanslagen IB/PVV en Zvw alsmede de boete- en rentebeschikkingen, opgelegd:
| Zaaknr. | Jaar | Omschrijving | Belasting | Rente | Boete |
| 24/1164 | 2016 | Aanslag IB/PVV | € 980.670 | € 41.732 | € 980.670 |
| 24/1165 | 2016 | Aanslag Zvw | € 2.901 | € 348 | n.v.t. |
| 24/1166 | 2017 | Aanslag IB/PVV | € 579.341 | € 48.486 | € 579.341 |
| 24/1167 | 2017 | Aanslag Zvw | € 2.899 | € 242 | n.v.t. |
In de bezwaarfase heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat, omdat de veroordeling van belanghebbende niet onherroepelijk vast staat, de aanslagen IB/PVV over de jaren 2016 en 2017 moeten worden verminderd. De inspecteur heeft de opbrengsten van de hennepoogsten verminderd met de (veronderstelde) kosten van de exploitatie van de hennepkwekerijen en heeft vervolgens de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 alsmede de bij deze aanslagen opgelegde boete- en rentebeschikkingen, als volgt verminderd.
| Jaar | Omschrijving | Belasting | Rente | Boete |
| 2016 | Aanslag IB/PVV | € 906.109 | € 38.559 | € 906.109 |
| 2017 | Aanslag IB/PVV | € 533.131 | € 44.618 | € 533.131 |
De rechtbank Oost-Brabant heeft belanghebbende bij vonnis van 16 februari 2023 veroordeeld tot betaling van € 225.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het bedrag is vastgesteld in overeenstemming met tussen het Openbaar Ministerie en belanghebbende gemaakte vonnisafspraken.
De rechtbank heeft de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw, zoals deze na eventuele vermindering luiden en rentebeschikkingen, in stand gelaten. De rechtbank heeft de boeten als volgt verminderd tot:
| Jaar | Boete |
| 2013 | € 3.480 |
| 2014 | € 48.256 |
| 2015 | € 17.473 |
| 2016 | € 342.443 |
| 2017 | € 193.252 |
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Dient terugwijzing naar de inspecteur plaats te vinden, dan wel dient de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast buiten toepassing te blijven omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd?;
2. Zijn de (navorderings)aanslagen, zoals deze na eventuele vermindering luiden, terecht en niet te hoog vastgesteld?
3. Zijn de boeten, zoals verminderd door de rechtbank, terecht en niet te hoog vastgesteld?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van uitspraak van de rechtbank, terugwijzing van de zaken naar de inspecteur dan wel vermindering van de (navorderings)aanslagen en vernietiging dan wel vermindering van de boeten. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Vooraf
Belanghebbende heeft bij zijn stuk van 19 augustus 2026 (zie 1.9 en 4.2), naast zijn reactie op de zogenaamde ICOV-bestanden, ook een ‘Verklaring geregistreerd inkomen 2023’ van de Belastingdienst overgelegd. Het hof beschouwt deze verklaring als tardief en rekent deze niet tot de gedingstukken. Het hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat het hof op de zittingsdatum het onderzoek alleen heeft geschorst om belanghebbende gelegenheid te geven te reageren op de ICOV-bestanden en het arrest van de strafkamer van het gerechtshof te overleggen. Verder is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende deze verklaring niet eerder heeft kunnen overleggen.
Ten aanzien van het geschil
Gevolgen schending van artikel 8:42 Awb in eerste aanleg
De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, maar heeft geen aanleiding gezien om aan deze schending enige consequentie te verbinden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de betreffende stukken – gelet op wat gemachtigde heeft aangevoerd – van belang zijn voor de geschilpunten waarvan de bewijslast reeds op de inspecteur ligt. Belanghebbende heeft verder niet voldoende concreet gesteld hoe hij door het ontbreken van deze stukken benadeeld is. Het gaat hierbij om de volgende stukken:
- Correspondentie met het RIEC en de gemeente [woonplaats];
- Het intern boeteadvies;
- De ICOV-bestanden (van 26 februari 2014); en
- Het stuk [naam 5] (van 27 februari 2014).
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de rechtbank vanwege de schending van artikel 8:42 Awb de zaken had moeten terugwijzen naar de inspecteur, dan wel de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast buiten toepassing had moeten laten.
Het hof verwerpt dit standpunt. Het terugwijzen van de zaken naar de inspecteur, zoals belanghebbende wenst, acht het hof geen passend gevolg in het kader van efficiënte en doelmatige rechtspleging en gelet op de inhoud van het dossier. Het achterwege laten van de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast acht het hof een te verstrekkende sanctie gelet op de inhoud van het dossier.
Schending artikel 8:42 Awb in hoger beroep?
Het hof heeft de inspecteur ter zitting voorgehouden dat de inspecteur de onder 4.1 genoemde stukken ook in hoger beroep niet heeft overgelegd. In reactie daarop heeft de inspecteur verklaard dat de correspondentie met het RIEC en de gemeente [woonplaats] en het stuk [naam 5] er niet meer is. Het stuk [naam 5] betreft een strafrechtelijk stuk dat de inspecteur tot zijn beschikking heeft gehad. De opmerkingen naar aanleiding van het interne boeteadvies zijn verwerkt in het controlerapport. Volgens de inspecteur is er geen apart stuk van. De ICOV-bestanden, die de inspecteur naar de zitting had meegenomen, gaan over de financiële omstandigheden van belanghebbende in 2009, 2010 en 2011. Deze bestanden heeft de inspecteur, zoals verzocht door het hof op 6 juli 2026 overgelegd. Belanghebbende heeft van het hof tot 21 augustus 2026 de gelegenheid gekregen om erop te reageren. Bij bericht van 19 augustus 2026 heeft belanghebbende zijn standpunt herhaald dat deze stukken tardief zijn.
Het hof beschouwt alle in 4.1 genoemde stukken als op de zaak betrekking hebbende stukken en heeft de inspecteur daarom ter zitting opgedragen de ICOV-bestanden alsnog te overleggen en belanghebbende gelegenheid gegeven daarop de reageren. Om deze reden verwerpt het hof belanghebbendes standpunt dat deze ICOV-bestanden tardief zijn. Ten aanzien van het intern boeteadvies heeft de inspecteur geloofwaardig verklaard dat de bevindingen van de boetespecialist zijn verwerkt in het controlerapport en er geen apart stuk bestaat. In zoverre is geen sprake van schending van artikel 8:42 Awb. De inspecteur heeft dit artikel echter wel geschonden door het stuk [naam 5] niet te overleggen. De omstandigheid dat de inspecteur dit stuk niet meer kan vinden en belanghebbende dit stuk zou hebben gezien omdat het onderdeel uitmaakt van het strafdossier doet aan dit oordeel niet af.
Het hof ziet in de schending van artikel 8:42 Awb aanleiding om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof.
2. Zijn de (navorderings)aanslagen, zoals deze na eventuele vermindering luiden, terecht en niet te hoog vastgesteld?
Ter zitting voor het hof heeft belanghebbende ondubbelzinnig en uitdrukkelijk verklaard dat niet langer wordt betwist dat belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2017 niet de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw heeft gedaan. Dat betekent dat partijen het erover eens zijn dat belanghebbende over die jaren niet de vereiste aangifte IB/PVV en Zvw heeft gedaan. Het hof acht dit eensluidende standpunt van partijen juist en maakt dat tot de zijne. Dat betekent dat voor de jaren 2013 tot en met 2017 de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.
Het is dan aan belanghebbende om te doen blijken dat de (navorderings)aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan deze bewijslast heeft voldaan. De omstandigheid dat belanghebbende met het Openbaar Ministerie een afspraak heeft gemaakt over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en dat dit bedrag veel lager is dan de door de inspecteur gemaakte schatting, maakt niet dat overtuigend is aangetoond dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2013 tot en met 2017 te hoog zijn vastgesteld. Een dergelijke afspraak die belanghebbende en het Openbaar Ministerie om de hen moverende redenen als compromis hebben gesloten, betekent niet dat vast staat dat dit ook de hoogte van het verkregen voordeel is.
Dat sprake is van omkering van de bewijslast en dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de belastingaanslagen te hoog zijn vastgesteld, neemt niet weg dat de rechter nog dient te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schattingen van het belastbare inkomen redelijk zijn. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur.[_23628a40-4174-44c1-9b97-cc47f648a49d] In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de schatting moet redelijk (niet willekeurig) zijn.[_e6f31418-b3fa-4583-90d9-08d8434e6188] Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng.[_d928382f-d210-4111-8f06-29ece9e62814] Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.[_9f7ad4e2-6c6d-40b5-a0f6-0d0f0c320488] Indien de hoogte van de schatting wordt betwist, komt de belastingrechter de bevoegdheid toe de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen.[_6e53efd6-3325-4006-993e-a2a0771eaaf6]
Belanghebbende betwist de redelijkheid van de schattingen die ten grondslag hebben gelegen aan de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017. Voor deze jaren heeft de inspecteur de ontnemingsrapportage als uitgangspunt genomen en daarbij geen rekening gehouden met de waarde van de in beslag genomen planten. Ook heeft hij in eerste instantie geen rekening gehouden met exploitatiekosten. In bezwaar heeft hij daar alsnog rekening mee gehouden. De berekeningen in de ontnemingsrapportage zijn uitvoering gemotiveerd. Bij de berekeningen is gebruik gemaakt van het rapport BOOM. De gegevens uit het rapport BOOM zijn gebaseerd op ervaringscijfers. Het hof is van oordeel dat sprake is van redelijke, althans niet willekeurige schattingen. Bij de doorzoeking zijn stukken gevonden waarop staat geschreven dat de verkoopprijs € 5.500 per kilo is geweest. De inspecteur is hier voor zijn schatting bij aangesloten. Dat is redelijk. Anders dan belanghebbende stelt hoeft hij zich, gelet op deze concrete en objectieve informatie, niet te houden aan lagere prijzen zoals vermeld in een (eerder) BOOM rapport. Ook de door de inspecteur gegeven onderbouwing om de kweekcyclus in verband met de CO2 installatie met 20% te verkorten is naar het oordeel van het hof redelijk. De inspecteur heeft verder de hele opbrengst aan belanghebbende toegerekend omdat belanghebbende feitelijk leiding zou hebben gegeven aan een criminele organisatie[_40e2d253-1253-4a62-810b-7c841aa50525] en omdat belanghebbende geen inzicht heeft gegeven in de onderlinge verdeling. Een volledige toerekening aan belanghebbende acht het hof in het kader van de redelijke schattingstoets daarom redelijk.
3. Zijn de boeten zoals verminderd door de rechtbank terecht en niet te hoog vastgesteld?
De rechtbank heeft geoordeeld dat de boeten terecht zijn opgelegd. Boeten van 40% van de verschuldigde belasting acht zij passend en geboden omdat geen sprake is van recidive en de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank heeft in dit verband als volgt overwogen.
“4.18. De inspecteur heeft bij de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2013 tot en met 2015 vergrijpboetes opgelegd,13 omdat het volgens hem aan de (voorwaardelijke) opzet, dan wel aan grove schuld, van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld of dat anderszins te weinig belasting is geheven. Verder heeft de inspecteur bij de aanslagen IB/PVV over de jaren 2016 en 2017 aan belanghebbende vergrijpboetes opgelegd,14 omdat het volgens de inspecteur aan de (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aangiften onjuist dan wel onvolledig zijn gedaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijk kans aanvaardt dat het beboetbare feit zich voordoet.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van opzet. De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld dan wel dat de aangiften onjuist of onvolledig zijn gedaan. Belanghebbende heeft aanmerkelijk meer uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in zijn aangiften geen bron vermeldt die deze uitgaven heeft kunnen voeden, concludeert de rechtbank dat hij deze bron bewust uit het zicht van de inspecteur heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoten inkomsten en aanwezig vermogen moeten worden aangegeven. Het gaat verder om bedragen van een substantiële omvang. De inspecteur heeft de boetes dan ook terecht opgelegd.
De rechtbank acht, met de inspecteur, in dit geval boetes van 40% passend en geboden. De omstandigheid dat geen sprake is van recidive en dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast is voor de rechtbank daarom aanleiding om te boetes te matigen tot € 4.350 (2013), € 60.320 (2014), € 21.842 (2015), € 362.443 (2016) en € 213.252 (2017).
De rechtbank ziet aanleiding om de boetes verder te matigen gelet op de duur van de procedure. De redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie is namelijk overschreden.
De inspecteur heeft zijn voornemen om boetes over de jaren 2013 tot en met 2015 aan belanghebbende op te leggen kenbaar gemaakt bij de verzending van het eerste controlerapport met dagtekening 2 oktober 2019. Vanaf dat moment tot de datum van deze uitspraak zijn afgerond vier jaar en tien maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke behandeltermijn is overschreden met meer dan 24 maanden. De boetes over de jaren 2013 tot en met 2015 zullen daarom verder worden gematigd met 20% tot € 3.480 (2013), € 48.256 (2014) en € 17.473 (2015).15
De inspecteur heeft zijn voornemen om boetes over de jaren 2016 en 2017 aan belanghebbende op te leggen kenbaar gemaakt bij de verzending van het tweede controlerapport met dagtekening 23 juni 2020. Vanaf dat moment tot de datum van deze uitspraak zijn afgerond vier jaar en één maand verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met meer dan 24 maanden. De boetes over de jaren 2016 en 2017 zullen daarom verder worden gematigd met € 20.000 tot € 342.443 (2016) en € 193.252 (2017).16
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
“13 Op grond van artikel 67e van de AWR.
14 Op grond van artikel 67d van de AWR.
15 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.
16 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.”
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de boeten terecht heeft opgelegd. Verder acht het hof, evenals de rechtbank, boeten van in beginsel 40% van de boetegrondslag passend en geboden. De door de rechtbank gebezigde gronden (4.18 tot en met 4.21) maakt het hof tot te zijne.
In hoger beroep neemt belanghebbende het standpunt in dat de boeten wegens financiële omstandigheden vernietigd dan wel gematigd moeten worden. Belanghebbende heeft in dat kader diverse loongegevens, bankafschriften en kopieën van aangiften IB/PVV overgelegd. Ook heeft hij tijdens de zitting voor de raadsheer-commissaris zijn persoonlijke en financiële omstandigheden toegelicht.
Het hof stelt voorop dat voor de vraag of een boete passend en geboden is relevant kan zijn wat thans de persoonlijke en financiële omstandigheden van belanghebbende zijn. Het is aan belanghebbende om te bewijzen dat zijn huidige financiële omstandigheden nopen tot vernietiging dan wel vermindering van de boeten. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan die bewijslast heeft voldaan. Het hof heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat de inspecteur en ontvanger tijdens de zitting bij de raadsheer-commissaris hebben verklaard dat zij geen volledig zicht hebben op de financiële positie van belanghebbende en zij vermoeden dat er meer verhaal aanwezig is dan belanghebbende doet voorkomen. Gelet op deze verklaring en in het licht van het dossier vormen de door belanghebbende gegeven toelichting en overgelegde stukken naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs om de boeten wegens financiële omstandigheden te vernietigen dan wel verder te verminderen.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om de boeten verder te matigen gelet op de duur van de procedure in eerste aanleg (zie de overwegingen 4.22 tot en met 4.23.1). In hoger beroep is de redelijke termijn van berechting met minder dan zes maanden overschreden. In deze omstandigheid ziet het hof echter geen aanleiding om de boeten verder te verminderen. De rechtbank heeft namelijk al de maximale vermindering van 20% respectievelijk € 20.000 in aanmerking heeft genomen.[_70e3718c-960c-4442-8d4d-35606fb415bf]
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof ziet vanwege de schending van artikel 8:42 Awb in hoger beroep (zie 4.6) aanleiding om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 3 (punten)[_0a435a6c-30bd-419a-9f61-60a44fa3ac15] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) = € 4.203.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 4.203.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, A.J. Kromhout en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van V.J. Weekers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
V.J. Weekers C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
- In het controlerapport staat kennelijk abusievelijk € 128.779.
- Het totaal moet € -86.826 zijn. In het controlerapport staat echter abusievelijk € -88.826.
- Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.
- Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483; Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093.
- Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.
- Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.
- Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.
- Onder verwijzing naar het strafvonnis in eerste aanleg.
- Gerechtshof Amsterdam, 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
- Hogerberoepschrift (1 punt) + conclusie van repliek (0,5 punt) + zitting voor raadsheer-commissaris (0,5 punt) + zitting (1 punt).
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4722 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.