Uitspraak · Belastingrecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 september 2026

ECLI:NL:GHSHE:2026:2506Zaaknummer 24/639

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
24/639
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

IB/PVV 2021. Box 3. Art. 3:16 BW, art. 3:19, lid 1, BW, art. 3:89, lid 1, BW, art. 8 Kadasterwet. Het hof oordeelt dat ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van box-3-vermogensbestanddelen tot de grondslag van box 3 behoren. Daarnaast is de woning op 31 december 2020 geleverd aan de koper, omdat op dat moment alle leveringshandelingen, waaronder de inschrijving in het kadasterregister, zijn afgerond.

Het hof:

  • verklaart het principaal hoger beroep gegrond;
  • verklaart het voorwaardelijk incidentele hoger beroep ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over het griffierecht;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.813 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 25.623.

De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

F. Marcolina W.W. Monteiro

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Ontstaan en loop van het geding
  2. 2 Feiten
  3. 3 Geschil en conclusies van partijen
  4. 4 Gronden
  5. 5 Beslissing

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/639

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en het voorwaardelijk incidentele hoger beroep van

[belanghebbende],

wonend in [woonplaats],

hierna: belanghebbende.

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 april 2024, nummer BRE 23/1849, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

De inspecteur en belanghebbende hebben beiden vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens doorgestuurd naar de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2].

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

1.9.

Bij brief van 11 juni 2026 heeft het hof partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt heropend en dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de door het hof in de brief van 11 juni 2026 aangesneden punten. Partijen hebben hierop gereageerd en deze reacties zijn telkens doorgestuurd naar de respectievelijke wederpartij.

1.10.

Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum 1] 1961 en is fiscaal partner van [naam], geboren op [geboortedatum 2] 1965.

2.2.

De door belanghebbende in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 (hierna: de aangifte) aangegeven rendementsgrondslag, na aftrek van het heffingsvrij vermogen, bedraagt € 788.004. Deze rendementsgrondslag (peildatum 1 januari 2021) is als volgt opgebouwd:

Bank- en spaartegoeden in Nederland€ 55.764
Vorderingen uitgeleend geld€ 643.000+
Overige bezittingen€ 189.240+
Af: heffingsvrij vermogen€ 100.000-/-
Totaal€ 788.004

Hiervan heeft belanghebbende € 738.004 aan zichzelf toegerekend. Het aangegeven belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraag € 31.917.

2.3.

De in 2.2. genoemde ‘Vorderingen uitgeleend geld’ bestaan uit een geldbedrag dat op een derdenrekening bij een notaris is gestort in verband met de verkoop van de eigen woning van belanghebbende. De notariële akte van levering die in het kader van deze verkoop is opgesteld, is op 31 december 2020 gepasseerd. Op die datum heeft de notaris ook de notariële akte ter inschrijving in de openbare registers aangeboden aan het Kadaster.

2.4.

De in 2.2. genoemde ‘Overige bezittingen’ bestaan uit het bloot eigendom van een woning (hierna: de onroerende zaak). De ouders van belanghebbende hebben het vruchtgebruik van deze woning en zij betalen geen vergoeding voor het vruchtgebruik. De waarde van deze bezittingen per 1 januari 2022 is € 216.000.

2.5.

De aanslag IB/PVV voor het jaar 2021 is conform de aangifte opgelegd.

2.6.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Dit bezwaar is afgewezen.

2.7.

Het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is gegrond verklaard. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.813 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen tot een te hoog bedrag is vastgesteld, omdat sprake is van strijdigheid met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM, waarbij het met name draait om het antwoord op de volgende vragen:

  • Wat is het werkelijk rendement ten aanzien van de post ‘Overige bezittingen’ voor het bepalen van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen? (principaal hoger beroep)
  • Behoren de ‘Vorderingen uitgeleend geld’ tot de rendementsgrondslag en, zo ja, op welke wijze dient dienaangaande het forfaitair rendement berekend te worden? (voorwaardelijk incidenteel hoger beroep)
3.2.

Bij brief van 18 november 2025 heeft de inspecteur zich niet langer op het standpunt gesteld dat met de Wet rechtsherstel box 3 afdoende rechtsherstel is geboden.

3.3.

De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de aanslag, in die zin dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen moet worden verlaagd tot € 25.623. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Hoogte werkelijk rendement ‘Overige bezittingen’

4.1.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (het zogeheten ‘Kerstarrest’) volgt dat toepassing van de wettelijke regels rondom box 3 leidt tot strijdigheid met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, indien en voor zover het conform de wet berekende forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijk door belanghebbende genoten rendement. Om die reden is van belang om het werkelijk door belanghebbende genoten rendement te bepalen.

4.2.

Ten aanzien van de bepaling van het werkelijk rendement voor de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft de Hoge Raad bij arrest van 6 juni 2024 geoordeeld dat het werkelijke rendement niet alleen de voordelen omvat die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3, zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Deze waardeveranderingen behoren ook tot het werkelijke rendement in dien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd.[_acbe2d63-a2e8-45c6-b82c-1b3adcd63cb1] De Hoge Raad heeft verder bepaald dat, voor de vaststelling van het werkelijk rendement van een woning, de waarde daarvan aan het begin en aan het einde van het jaar moet worden bepaald op basis van de (stijging van de) WOZ-waarde.[_7b728e99-be8a-4d9a-84d7-0621eb9a5086]

4.3.

Voor de situatie van belanghebbende betekent dat dat ook het niet gerealiseerde rendement (dat wil zeggen: de waardestijging) van de onroerende zaak meetelt bij de berekening of het volgens de wet belaste fictieve rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Deze waardestijging is het verschil tussen de waarde per 1 januari 2021 van € 189.240 en de waarde per 1 januari 2022 van € 216.000, zijnde € 27.360. Hoewel belanghebbende in zijn verweerschrift in hoger beroep nog heeft gesteld dat in dit kader ook rekening gehouden moet worden met betaalde negatieve rente op banksaldi, heeft belanghebbende ter zitting erkend dat deze in 2021 betaalde negatieve rente verwaarloosbaar is en dat er mitsdien geen rekening mee hoeft te worden gehouden bij het bepalen van het werkelijke rendement. Op basis van het voorgaande oordeelt het hof dat het werkelijk rendement met betrekking tot de post ‘Overige bezittingen’ € 27.360 bedraagt.

‘Vorderingen uitgeleend geld’

4.4.

Primair stelt belanghebbende dat de ‘Vorderingen uitgeleend geld’, ten bedrage van € 643.000 niet tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren, omdat hij per 1 januari 2021 geen vordering op de notaris heeft. Hij voert daartoe aan dat de gelden op de derdenrekening behoren tot het vermogen van de storter, zijnde de koper van de woning, en dat de woning op 1 januari 2021 behoort tot de grondslag ter bepaling van het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1). Subsidiair stelt belanghebbende dat de gelden op de derdenrekening als banktegoed moeten worden aangemerkt en voert daartoe aan dat een andere uitleg leidt tot strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om tot heffing als belegging te komen en dat deze uitleg ook strookt met later ingevoerde wetgeving. Dat leidt tot de cijfermatige uitwerking dat het totale voordeel uit sparen en beleggen € 7.381 bedraagt, aldus belanghebbende.

4.5.

De inspecteur is primair van mening dat het bedrag op de rekening van de notaris tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort en als overige bezitting moet worden aangemerkt. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van belanghebbende is de inspecteur van mening dat als de vordering moet worden aangemerkt als banktegoed, het totale voordeel uit sparen en beleggen € 9.003 bedraagt.

4.6.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:89, lid 1, BW geschiedt de voor overdracht van onroerende zaken vereiste levering door een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers. Op grond van grond van artikel 3:16 BW in verbinding met artikel 8 Kadasterwet betreffen de daartoe bestemde openbare registers in dit geval het kadasterregister. Aldus is, naast opmaking van een notariële akte, inschrijving in het kadasterregister vereist.[_a05ce2b5-a77f-40e9-9535-0dcc17830c00] In dat kader luidt artikel 3:19, lid 1, BW dat indien voor een inschrijving nodige stukken worden aangeboden, de aangeboden stukken aan de wettelijke vereisten voldoen en andere wettelijke vereisten voor inschrijving zijn vervuld, de inschrijving terstond na de aanbieding geschiedt. Daarbij bepaalt het tweede lid van dit artikel dat als tijdstip van inschrijving het tijdstip van aanbieding van de voor de inschrijving vereiste stukken geldt.

4.7.

Niet in geschil is dat de notariële akte van levering die in het kader van de verkoop van de eigen woning is opgesteld, is gepasseerd op 31 december 2020. Aangezien deze notariële akte ook per die datum ter inschrijving in de openbare registers is aangeboden aan het Kadaster, heeft, op grond van het hiervoor in 4.6 overwogene, 31 december 2020 als datum van inschrijving te gelden. Daarmee is op die datum de eigendom van de woning overgedragen aan de koper van de woning en gelijktijdig heeft belanghebbende een vordering op de koper gekregen ten bedrage van de verkoopsom, zijnde € 643.000. Dat dit bedrag op 1 januari 2021 nog op een derdenrekening bij de notaris stond en pas op 4 januari 2021 op een bankrekening van belanghebbende is gestort, maakt dit niet anders. Verder maakt de omstandigheid dat belanghebbende afspraken met de koper heeft gemaakt dat hij nog enige jaren in de woning mag blijven wonen niet dat er geen vordering is ontstaan. Naar het oordeel van het hof behoren de ‘Vorderingen uitgeleend geld’, ten bedrage van € 643.000, op 1 januari 2021 tot de rendementsgrondslag van box 3.

4.8.

Uit hetgeen hiervoor in 4.6 is overwogen volgt ook dat het bedrag van € 643.000 kwalificeert als vordering en niet als banktegoed. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting erkend dat hij het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet kan substantiëren en dat zijn beroep op de bedoeling van de wetgever slechts moet worden bezien in de context van wetswijzigingen die zijn voltrokken ná 2021 en zodoende niet zien op onderhavig jaar. Deze onderbouwingen van het subsidiaire standpunt kunnen reeds om deze redenen de stelling dat het bedrag van € 643.000 als banktegoed moet worden aangemerkt niet dragen.

Conclusie

4.9.

Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie. Aangezien niet in geschil is dat met de in de aangifte aangegeven vermogensbestanddelen ‘Bank- en spaartegoeden in Nederland’ en ‘Vorderingen uitgeleend geld’ geen werkelijk rendement is behaald, bedraagt het werkelijk rendement voor de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 27.360.

4.10.

In zijn aangifte IB/PVV heeft belanghebbende aangegeven dat zijn aandeel in de grondslag voor sparen en beleggen € 738.004 bedraagt ten opzicht van de totale grondslag van € 788.004. Met toepassing van diezelfde verdeelsleutel rekent het hof € 25.623[_a7581ae4-9020-439e-80ef-50ceb8cde201] van de hiervoor genoemde € 27.360 toe aan belanghebbende.

4.11.

Aangezien in de aanslag een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld van € 31.917 en dit bedrag hoger is dan € 25.623, dient de aanslag verminderd te worden naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.813 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 25.623.

Tussenconclusie

4.12.

De slotsom is dat het principaal hoger beroep gegrond en het voorwaardelijk incidentele hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van de proceskosten

4.13.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het principaal hoger beroep gegrond;
  • verklaart het voorwaardelijk incidentele hoger beroep ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over het griffierecht;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.813 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 25.623.

De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

F. Marcolina W.W. Monteiro

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

  1. Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705.
  2. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857.
  3. Hoge Raad 10 december 1937, ECLI:NL:HR:1937:155.
  4. € 738.004 / € 788.004 x € 27.360 = € 25.623.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.