Uitspraak · Belastingrecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 september 2026

ECLI:NL:GHSHE:2026:2348Zaaknummer 25/1692

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
25/1692
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omvang verlies uit aanmerkelijk belang bij liquidatie BV. Kinderen van DGA lenen in 2011/2012 geld uit aan DGA’s BV om BV in staat te stellen een civiele procedure voort te zetten. In 2015 vestigt DGA tweede pandrechten op zijn privé-huurinkomsten ten gunste van de kinderen tot zekerheid. BV verliest haar procedure en eindigt met een aanzienlijk negatief vermogen. DGA neemt vóór de turbo-liquidatie van de BV in 2019 de schulden van de BV aan de kinderen over en scheldt die vervolgens kwijt. Hof: noch de pandrechtvestiging in 2015, noch de schuldoverneming in 2019 is een informele kapitaalinbreng in de BV die DGA’s verlies uit a.b. vergroot. Evenmin negatief resultaat uit werkzaamheid of terbeschikkingstelling.

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door P.J. Wattel, voorzitter, J. Wessels en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

R. Camps P.J. Wattel

Het aanwenden van een rechtsmiddel=

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Ontstaan en loop van het geding
  2. 2 Feiten
  3. 3 Geschil en conclusies van partijen
  4. 4 Gronden
  5. 5 Beslissing

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 25/1692

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonend in [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 september 2025, nummer BRE 24/5747, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft over 2019 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Hij heeft daarbij bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde [gemachtigde] en tot diens bijstand [persoon 1], en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2].

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was vanaf 1 mei 1998 enig aandeelhouder en bestuurder van [A BV] (hierna: de BV). Zijn verkrijgingsprijs van de aandelen in de BV bedroeg € 18.151. De BV had als doel het beheren van en handelen in onroerend goed.

2.2.

Na het overlijden van belanghebbendes vader (hierna: Vader) zijn belanghebbende en de BV verwikkeld geraakt in juridische procedures tegen belanghebbendes broer (hierna: Broer) over de verdeling van een vastgoedportefeuille die volgens belanghebbende bij het overlijden van Vader zou overgaan op de BV. De proceskosten van de BV werden aanvankelijk in rekening-courant gefinancierd door belanghebbende.

2.3.

Omdat belanghebbendes liquiditeiten onder meer door beslaglegging op zijn privévermogen uitgeput raakten, hebben belanghebbendes drie kinderen geld aan de BV uitgeleend om de civiele procedure van de BV tegen Broer te kunnen voortzetten:

- [kind 1] heeft in 2011 € 12.000 aan de BV uitgeleend; in 2012 heeft zij nog eens € 50.000 uitgeleend, volgens de leningsovereenkomst aan belanghebbende, maar beide partijen hebben ter zitting verklaard dat de bedoeling en de feitelijke gang van zaken was dat ook dat bedrag aan de BV werd uitgeleend. Het hof zal daarom daarvan uitgaan. Inclusief rente bedroeg aldus de schuld van de BV aan [kind 1] ultimo 2019 € 95.645.

- [kind 2] heeft in 2011 € 18.000 aan de BV uitgeleend, waarvan in 2012 al € 12.000 was afgelost. Inclusief rente bedroeg de schuld van de BV aan [kind 2] ultimo 2019 € 12.200.

- [kind 3] heeft in 2012 € 4.000 aan de BV uitgeleend. Inclusief rente bedroeg de schuld van de BV aan [kind 3] ultimo 2019 € 6.790.

2.4.

In mei 2015 heeft belanghebbende tweede pandrechten op zijn bestaande en toekomstige huurinkomsten[_c952454c-17ad-4005-a775-ebb521c86e4f] gevestigd ten gunste van [kind 1] en [kind 2] “tot meerdere zekerheid voor het verhaal van al hetgeen de schuldeiser op dit moment of in de toekomst van de schuldenaar te vorderen heeft of te vorderen zal krijgen, met inbegrip van de op die vorderingen vallende rente, kosten en boeten, krachtens welke oorzaak dan ook”. De BV wordt in de pandovereenkomsten niet genoemd. Die overeenkomsten wijzen de belanghebbende aan als ‘schuldenaar’ en pandgever, en [kind 1] respectievelijk [kind 2] als schuldeiser en pandhouder. Zij vermelden dat “tussen partijen rechtshandelingen hebben plaatsgevonden op grond waarvan de schuldeiser een opeisbare vordering van in hoofdsom groot € 50.000 [respectievelijk € 10.000] op de schuldenaar heeft.”

2.5.

De BV heeft de civiele procedure tegen Broer uiteindelijk verloren. De BV is daarna op 13 december 2019 bij gebrek aan baten na een turboliquidatie ontbonden. Haar activasaldo bedroeg op dat moment € 5.674; zij had een negatief eigen vermogen van € 221.448.

2.6.

Belanghebbende heeft voorafgaand aan die liquidatie de onder 2.3 genoemde schulden van de BV aan de kinderen overgenomen; inclusief rente in totaal € 114.635. Hij heeft die schulden in 2021 afgelost. De door zijn schuldoverneming ontstane vorderingen op de BV heeft hij vervolgens prijsgegeven. De daardoor opgetreden schuldvrijval bij de BV is bij de BV geboekt als agiostorting en als zodanig aangegeven in de aangifte vennootschapsbelasting van de BV. Die aangifte is op dat punt niet gecorrigeerd door de inspecteur vennootschapsbelasting.

2.7.

Belanghebbende had ten tijde van de liquidatie een rekening-courantvordering van € 242.050 op de BV. Overeenkomstig een met de inspecteur gemaakte afspraak heeft hij daarop € 150.000 afgewaardeerd in box 1 (inkomen uit werk en woning) en € 92.050 in box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang).

2.8.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2019 een negatief bedrag van € 100.879 als resultaat uit ter beschikking stellen (box 1) aangegeven, bestaande uit het verlies op de geldleningen van zijn kinderen aan de BV (€ 114.635) verminderd met 12 procent tbs-vrijstelling. Hij heeft verder een negatief inkomen van € 110.201 uit aanmerkelijk belang (box 2) aangegeven, bestaande uit de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen (€ 18.151) vermeerderd met het deel van belanghebbendes rekening-courantvordering dat in box 2 is afgeboekt (€ 92.050; zie 2.7).

2.9.

De inspecteur heeft het aangegeven verlies uit aanmerkelijk belang van € 110.201 volgens afspraak aanvaard, maar het aangegeven verlies uit ter beschikking stellen ad € 100.879 in box 1 geweigerd omdat hij belanghebbendes schuldoverneming niet als een informele kapitaalstorting in de BV beschouwt maar als een schenking aan belanghebbendes kinderen. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.815, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van negatief € 110.201 en een rendementsgrondslag van € 529.866, waarvan € 343.072 aan belanghebbende is toegerekend, leidend tot een belastbaar rendement van € 13.443. Bij beschikking is daarnaast belastingrente in rekening gebracht.

2.10.

De inspecteur heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat aan de kinderen geen aanslagen schenkbelasting zijn opgelegd ter zake van belanghebbendes schuldoverneming en aflossing.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het bedrag van de aanslag IB/PVV 2019, met name of belanghebbendes inkomen uit aanmerkelijk belang € 114.635 te hoog is vastgesteld doordat zijn pandrechtvestiging dan wel zijn overneming van de schulden van de BV aan de kinderen ten onrechte niet is aangemerkt als informele kapitaalstorting die zijn aandelenverkrijgingsprijs en daarmee zijn verlies uit aanmerkelijk belang verhoogt.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hogere beroep en tot verlaging met € 114.635 van zijn box 2-inkomen (primair en subsidiair), of van zijn box 1inkomen (meer subsidiair).

3.3.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hogere beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De partijen hebben desgevraagd ter zitting verklaard dat de in 2011 en 2012 door de kinderen aan de BV verstrekte leningen als zakelijk beschouwd kunnen worden. Het hof zal daarom daarvan uitgaan. Niet in geschil is dat de BV de leningen heeft gebruikt om haar proceskosten te dekken.

4.2.

De inspecteur heeft ter zitting verklaard niet langer te betwisten dat de door belanghebbende ten gunste van de kinderen gevestigde pandrechten (zie onder 2.4) betrekking hebben op hun vorderingen op de BV.

4.3.

De te beantwoorden vraag is of belanghebbende het debiteurenrisico op de vier leningen van de kinderen aan de BV heeft overgenomen - in 2015 door zijn pandrechtvestiging, dan wel eind 2019 door zijn schuldoverneming - als aandeelhouder, met het oog op het belang van de BV, of als vader met het oog op het privébelang van zijn kinderen.

4.4.

Volgens de inspecteur is het verlies op de overneming en aflossing van de BV-schulden aan de kinderen niet ontstaan in de aandeelhoudersfeer omdat zij hun oorsprong vinden in belanghebbendes relatie met zijn kinderen. Belanghebbende heeft niet de BV, maar zijn kinderen onzakelijk bevoordeeld door in 2019 onverplicht hun waardeloze vorderingen op de BV over te nemen en in 2021 alsnog af te lossen. De daarmee gemoeide € 114.635 is daarom geen informele kapitaalstorting in de BV, maar een schenking aan de kinderen, aldus de inspecteur.

4.5.

Belanghebbende stelt dat hij de pandrechten ten gunste van de kinderen in 2015 vestigde om te voorkomen dat zij hun leningen zouden opeisen, wat tot faillissement van de BV zou hebben geleid en daarmee tot een voor haar ontijdig nadelig einde van haar procedure tegen Broer. De zekerheidstelling diende aldus het belang van de BV. Hij stelt verder dat hij in 2019, nadat de BV de procedure tegen Broer had verloren, de BV niet failliet wilde laten gaan maar voor schuldoverneming en turboliquidatie heeft gekozen om reputatieschade te voorkomen bij de lokale banken die zijn vastgoed financierden. De effectuering in 2019 van de door hem in 2015 gestelde zekerheid, door overneming van de schulden van de BV aan zijn kinderen, resulteerde zijns inziens in een onzakelijke lening zijnerzijds aan de BV, waarvan het prijsgeven in de kapitaalsfeer moet worden afgewikkeld. Als die schulden niet jegens zijn kinderen, maar jegens de bank zouden hebben bestaan, zou hij om dezelfde reputatiereden hetzelfde gehandeld hebben, aldus belanghebbende. De inspecteur bestrijdt dat.

4.6.

Subsidiair stelt belanghebbende dat reeds zijn pandrechtvestiging in 2015 tot zekerheid voor de aflossing van de leningen van de kinderen aan de BV een informele kapitaalstorting in de BV inhield.

4.7.

Meer subsidiair - als het niet om aandeelhoudershandelen zou gaan dat in de kapitaalsfeer moet worden afgewikkeld - stelt belanghebbende dat het dan dus gaat om een zakelijke lening aan de BV waarvan het tenietgaan moet worden beschouwd als negatief resultaat uit overige werkzaamheid.

4.8.

Ter zitting is komen vast te staan dat in 2015, ten tijde van belanghebbendes vestiging van de tweede pandrechten ten gunste van de kinderen, een beslag lag op zijn lopende en toekomstige huurinkomsten en dat op dat moment niet te zeggen viel of en zo ja, wanneer dat beslag zou worden opgeheven. Het beslag is ruim twee jaar later, in 2017, opgeheven, na de gunstige afloop van een andere procedure in belanghebbendes geschil met Broer. Het hof leidt daaruit af dat de pandrechten ten tijde van hun vestiging weinig of niets waard waren. De belanghebbende verpande immers huurvorderingen waartoe hij zelf geen toegang had en evenmin concreet zicht op toegang op korte termijn had. Dat sluit op zichzelf niet de mogelijkheid uit van een - geringe - verwachtingswaarde, maar die waarde zou dan gekwantificeerd moeten worden op basis van toen vigerende proceskansen. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die de pandrechten heeft gevestigd en die stelt dat zij voor de nominale waarde van de schulden inclusief rente aan de kinderen zekerheid boden, de feiten en omstandigheden stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, op basis waarvan een dergelijke verwachtingswaarde kan worden bepaald. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die zo’n kwantificering mogelijk maken.

4.9.

Maar ook als dat anders zou zijn, is het hof van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet zijn stellingen aannemelijk heeft gemaakt (i) dat als hij géén pandrechten verstrekt zou hebben, zijn kinderen de BV in 2015 in rechte zouden hebben aangesproken, (ii) met funest gevolg voor de proceskansen van de BV doordat (iii) zij daardoor failliet zou zijn gegaan. De BV bood immers geen verhaal. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de BV geen bezittingen had. Evenmin was de BV liquide. Haar gebrek aan liquiditeit was juist de aanleiding voor de kinderen om geld aan haar uit te lenen. Het tweede pandrecht op belanghebbendes huurinkomsten bood de kinderen feitelijk evenmin verhaal omdat die huurinkomsten onder beslag lagen. Belanghebbende heeft niet gesteld dat (één van) zijn kinderen het faillissement van de BV zou(den) hebben aangevraagd en evenmin dat een eventuele andere schuldeiser dat zou hebben gedaan.

4.10.

Het hof is daarom van oordeel dat de pandrechtverlening in 2015 niet een informele kapitaalstorting in de BV inhield. Dan is de vraag of de schuldoverneming in 2019, gevolgd door kwijtschelding, een informele kapitaalinbreng in de BV inhield tot het nominale bedrag van de schulden van de BV aan de kinderen.

4.11.

De BV had ook in 2019 geen bezittingen. Doordat zij de procedure tegen Broer had verloren, bestond ook geen enkel zicht meer op bezittingen. Er resteerde slechts enig kasgeld en een aanzienlijk negatief vermogen. De vorderingen van de kinderen op de BV waren definitief waardeloos geworden.

4.12.

Belanghebbende beroept zich voor zijn standpunt dat het prijsgeven van zijn door schuldoverneming ontstane vorderingen op de BV informeel kapitaal inbracht in de BV op het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2011[_b0a007cc-93b6-418f-b1eb-d90f12eae197], dat onder meer als volgt luidt:

“3.5. (…). Indien de door een aanmerkelijkbelanghouder (…) aan de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft verstrekte geldlening onzakelijk is (…), en de aanvaarding door de ab-houder van het debiteurenrisico berustte op aandeelhoudersmotieven, zal een kwijtschelding van de geldlening als een informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt, ook indien en voor zover de vordering oninbaar is. Immers, het verlies dat de ab-houder bij de kwijtschelding lijdt, vloeit dan voort uit het door hem in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanvaarde debiteurenrisico. Ook voor de debiteur zal in een zodanig geval de kwijtschelding als een informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt. De verkrijgingsprijs in de zin van artikel 4.21 Wet IB 2001 van het aanmerkelijk belang van de ab-houder zal met het bedrag van de als informele kapitaalstorting aan te merken kwijtschelding worden verhoogd.”

4.13.

Hieruit volgt inderdaad dat de kwijtschelding, door een grootaandeelhouder, van een onzakelijke schuld van een BV aan die grootaandeelhouder een informele kapitaalinbreng kan zijn die de a.b.-verkrijgingsprijs van die aandeelhouder verhoogt met het nominale bedrag van die schuld. In belanghebbendes geval gaat het echter niet om de kwalificatie van de kwijtschelding, maar om de kwalificatie van de schuldoverneming. De vraag is of belanghebbende de schulden van de BV in 2019 op de voet van artikel 6:155 BW heeft overgenomen - overwegend - met het oog op het belang van de BV of - overwegend - met het oog op het privébelang van zijn kinderen. Over die feitelijke vraag gaat het geciteerde arrest niet.

4.14.

Partijen hebben eensgezind verklaard dat de leningen van de kinderen aan de BV zakelijk waren. Na het verlies van de procedure van de BV tegen Broer bleken hun vorderingen op de BV voorgoed waardeloos. De BV had een aanzienlijk negatief vermogen, had volgens belanghebbende geen nut meer en zou geliquideerd worden. Dat zo zijnde, valt moeilijk in te zien welk ondernemings- of ander belang van de BV nog gediend was met belanghebbendes overneming van de schulden van de BV aan zijn kinderen en te minder dat een dergelijk BV-belang voor belanghebbende zwaarder woog dan het belang om zijn kinderen niet met de strop te laten zitten. Het enige belang dat hij in dat opzicht heeft gesteld, is voorkoming dat hij (belanghebbende) reputatieschade had kunnen lijden als hij de BV failliet had laten gaan in plaats van op turboliquidatie aan te sturen. Ook als het hof die grond voor belanghebbendes schuldoverneming aannemelijk zou achten, moet geconstateerd worden dat belanghebbendes reputatie bij de hem financierende banken hem als natuurlijke persoon aangaat en niet - overwegend - het belang van de BV betreft, die immers bij gebrek aan bezittingen niet door enige bank gefinancierd werd en die bovendien ophield te bestaan.

4.15.

Het hof is daarom van oordeel dat belanghebbendes schuldoverneming in 2019 evenmin een informele inbreng van kapitaal door belanghebbende in de BV inhield.

4.16.

Belanghebbende stelt tenslotte meer subsidiair dat als noch zijn pandrechtverstrekking, noch zijn schuldoverneming werden ingegeven door aandeelhoudersmotieven, het om een zakelijke lening ging waarvan het tenietgaan dan als negatief resultaat uit overige werkzaamheden moet worden beschouwd.

4.17.

Deze stelling vooronderstelt dat de schuldoverneming waaruit belanghebbendes vorderingen op de BV voortvloeiden zakelijk waren. Dat waren zij niet. Een zakelijk handelende ongelieerde derde neemt immers niet zonder vergoeding van hun nominale waarde schulden van een debiteur over jegens diens schuldeisers. De door belanghebbendes schuldoverneming ontstane vorderingen op de te liquideren BV waren waardeloos en dus was de schuldoverneming niet zakelijk. Van een negatief resultaat uit overige werkzaamheden is dan geen sprake.

4.18.

Voor zover belanghebbendes meer subsidiaire standpunt (ook) herhaalt dat de waardeloosheid van de door zijn schuldoverneming ontstane vorderingen op de BV een negatief resultaat uit terbeschikkingstelling is, vindt dat standpunt naar het oordeel van het hof geen steun in de feiten of het recht. Belanghebbende heeft met zijn schuldoverneming feitelijk niets aan de BV ter beschikking gesteld dat nog rendabel gemaakt zou kunnen worden, mede gegeven dat hij de schulden volgens zijn verklaring overnam juist om de BV te kunnen turboliquideren.

Conclusie

4.19.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Nevenbeslissingen

4.20.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

4.21.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door P.J. Wattel, voorzitter, J. Wessels en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

R. Camps P.J. Wattel

Het aanwenden van een rechtsmiddel=

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

  1. Het gaat om vorderingen uit hoofde van verhuur van onroerende zaken die belanghebbende buiten de BV hield. Op die huurvorderingen waren al eerste pandrechten gevestigd ten gunste van anderen, onder wie de financierende bank.
  2. Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.